Voorstel Groen voor provinciale subsidie dierenasielen afgekeurd

Met Groen proberen we rond de 12 speerpunten die in ons programma voor de provincieraadsverkiezingen stonden, ook in de provincieraad concrete voorstellen doen. Het voorzien van een provinciale basissubsidie voor dierenasielen en vogelopvangcentra was er daar eentje van. Dat er in de provinciale gebouwen waar het vogelopvangcentrum van Beernem gehuisvest zit verbouwingswerken gebeuren, die voor de provincie de aanleiding vormden om vanaf nu huurgeld te vragen, was de perfecte aanleiding hiervoor.

In tegenstelling tot diverse andere provincies, voorziet de provincie West-Vlaanderen momenteel nog geen financiële ondersteuning voor organisaties die dieren in nood opvangen. De organisaties die steun krijgen en werken rond dieren, situeren zich momenteel in de sector landbouw.

Dierenasielen en opvangcentra zijn een type van infrastructuur en dienstverlening die regionaal georganiseerd is.

Dierenasielen worden momenteel vooral door lokale besturen gesubsidieerd, maar de ondersteuning is sterk verschillend van regio tot regio, vandaar dat een provinciale subsidie voor sommigen een nuttige en noodzakelijke aanvulling is. Voor dierenasielen voor huisdieren bestaat een subsidiereglement in Vlaams-Brabant en voorziet Limburg investeringssubsidies.

De twee vogelopvangcentra (die naast vogels ook andere wilde dieren opvangen) in onze provincie worden momenteel vooral op Vlaams niveau gesubsidieerd. Het beperkte aantal voorzieningen zorgt ervoor dat de afstanden heel dikwijls groot zijn om de slachtoffers die verzorgd moeten worden ook ter plaatse te krijgen. Dit is een mogelijk element waarvoor een bijkomende ondersteuning zeer nuttig zou zijn. Voor vogelopvangcentra bestaan naast de reeds vermelde ook in de provincies Antwerpen en Oost-Vlaanderen verschillende systemen van financiële ondersteuning. Dit past naast dierenwelzijn ook in het beleidsdomein natuur/biodiversiteit.

Er werd in het voorstel van subsidiereglement dat ik schreef geopteerd om vanaf 2020 een in het budget vast te leggen totaalbedrag te verdelen over de verschillende organisaties die in aanmerking komen volgens het aantal opgevangen dieren. Dit moet zorgen voor een logische verdeling tussen grotere en kleinere initiatieven.

Tot onze verbazing krijgt dit voorstel enkel steun van Vlaams Belang. Nochtans zitten er bij de partijen die tegen stemmen er ook die er prat op gaan zeer bekommerd te zijn om dierenwelzijn.

‘Geen taak voor de provincie’ (terwijl de NVA-minister van dierenwelzijn dat wel vindt), was een reden. ‘Er zijn nog geen vragen gesteld’, was zelfs het belangrijkste argument van de partijen van de meerderheid (mijn conclusie: vele dierenasielen zijn veel te braaf in het vragen van subsidies, en proberen zelf hun plan te trekken, oa door tal van activiteiten te organiseren – tijd die misschien beter naar de zorg voor de dieren zou gaan). Bijzonder spijtig, in de eerste plaats voor de dierenasielen die het moeilijk hebben om hun budget rond te krijgen.

Op de vraag waarom een luchthaven (Kortrijk-Wevelgem) wel gratis van de provinciale infrastructuur mag gebruik maken en een vogelopvangcentrum niet, daar komt geen duidelijk antwoord op…

Zo weten we meteen wat er prioritair is bij ons huidig provinciebestuur.

Advertenties

Ik wil landbouw en milieu verzoenen

Ja, ik weet het, met de laatste politica die dat gezegd heeft, is het niet goed afgelopen. En ja, de uitspraak is een beetje grotesk voor een eenvoudig provincieraadslid.

Maar ondertussen hoop ik dat ik je aandacht heb. En het is wel de ingesteldheid waarmee ik begin met een nieuw mandaat: bestuurslid bij Inagro, het kenniscentrum voor landbouw van de provincie West-Vlaanderen.

De ‘groenen’ en de landbouwsector worden heel dikwijls als tegenstander bestempeld. Ik ben ervan overtuigd dat dit niet zo hoeft te zijn. Maar dan moet de focus in het landbouwbeleid wel veranderen. Het is een belangrijke trend om te evolueren naar landbouwbedrijven die steeds grootschaliger en steeds industriëler werken en dat wordt in de hand gewerkt door het huidige beleid. Zeker in de veeteelt is de grootschaligheid een probleem: er zijn meer varkens in onze provincie dan West-Vlamingen en de veestapel groeit nog steeds aan. We produceren veel meer vlees dan we kunnen opeten, de grondstoffen daarvoor komen van de ene kant van de wereld, het vlees gaat naar de andere, en hier vervuilen mestoverschotten onze bodem en grondwater, zorgt dat voor heel veel transporten, en steeds meer megastallen ontsieren ons landschap.

En het is natuurlijk te begrijpen van waar die evolutie komt: de prijs van landbouwproducten staat onder druk, en wordt bepaald door de wereldmarkt. Landbouwers worden gestuurd (door beleid en soms ook door beroepsverenigingen) om steeds groter te worden. Om zo meer omzet te kunnen draaien, een kleine opbrengst per kilo hoog genoeg te krijgen door meer kilo’s te produceren.

Maar heeft dat geholpen om een leefbaar inkomen te garanderen voor die landbouwers? Spijtig genoeg voor hen: meestal niet. Het zadelde of zadelt veel landbouwbedrijven op met een grote schuldenberg, zodat het vooral hard werken is om de schulden te kunnen afbetalen. Niet zozeer om er een goed inkomen uit te halen.

Wie daar rijk van wordt, zijn niet de landbouwers. Veevoederfabrikanten die hun grondstoffen van de andere kant van de wereld halen, mestverwerkers die dikwijls voor (milieu)hinder voor de buurt zorgen, de voedingsindustrie,… die worden dat wel. In voldoende mate dat ze soms zelfs hele landbouwbedrijven opkopen, van boeren die er niet meer in slagen om het hoofd boven water te worden. En die dan soms loonwerker worden op hun eigen (voormalige) bedrijf. Is dat de landbouwsector waar we naartoe willen?

Vlaanderen is een versnipperde regio waar (landbouw)grond schaars en dus duur is. Ook arbeid is duur. Het is dus een illusie dat we vanuit dat uitgangspunt met massaproductie kunnen concurreren tegen landen waar wel ruimte is en waar arbeidskrachten goedkoper zijn.

Het kan anders. En het gebeurt al anders. Maar nog te weinig. Initiatieven als korte-ketenverkoop, een hoevewinkel, hoevetoerisme, nicheproducten voor horeca, biolandbouw,… het zijn manieren om met een landbouwbedrijf zonder schaalvergroting wél een leefbaar inkomen te bereiken.

Dát moet de focus van het landbouwbeleid worden. Op die manier is een leefbare landbouw én respect voor het milieu met elkaar te verzoenen.

Ik heb bij de voorbije provincieraadsverkiezingen vorig jaar verschillende landbouwers leren kennen die voor mij, een ‘groene’ gestemd hebben. Omdat ze in Groen een bondgenoot vinden om de open ruimte te bewaren en niet op te offeren voor industrie, nog maar eens een nieuw winkelcentrum of verkavelingen. Omdat ze net als Groen niet meer geloven in landbouwbedrijven die steeds meer op fabrieken lijken en het zelf anders willen aanpakken.

Die mensen wil ik een stem geven bij Inagro. Met natuurlijk veel aandacht voor milieu, maar evengoed voor de mens achter het bedrijf. Benieuwd in wie ik een medestander zal vinden.

‘Het grote gelijk’ of ‘We delen meer dan we denken’?

Neen, dit is absoluut geen blog over het partijprogramma van Groen. Wel over het initiatief van o.a. krant De Standaard. ‘Het grote gelijk’ had als bedoeling om mensen samen te brengen met tegengestelde meningen. Daarvoor moesten een aantal stellingen beantwoord worden met ‘ja’ of ‘neen’.

Met onze slogan voor de komende verkiezingen ‘We delen meer dan we denken’ in het achterhoofd, had ik mij hiervoor ingeschreven. Dat leverde een gesprekspartner op uit mijn eigen gemeente. Zij wilde zich inschrijven voor het evenement in Brussel, ik had daar eigenlijk niet op gerekend in deze drukke tijden. Maar we zijn naar Brussel gereisd met de trein, en niet met de bedrijfswagen. Beide kanten waren dus bereid tot een compromis.

En op de trein bleek meteen dat de verschillen inderdaad niet groot waren. Terwijl je zo’n stelling zwart/wit met ‘ja’ of ‘neen’ moet beantwoorden, is een mening heel dikwijls veel genuanceerder. Een mooi voorbeeld is het tegengestelde antwoord op de stelling ‘Is de slinger van “Me too” te ver doorgeslaan’. Ik had ‘nee’ geantwoord, zij ‘ja’. Op basis van de sexe zou je misschien het tegengestelde verwachten. Maar als we uitleggen waarom we tot dat antwoord gekomen zijn, dan blijkt dat we het grotendeels eens zijn. Ik leg de nadruk leg op hoe schandalig het is dat (vooral) mannen jarenlang vrouwen dingen kunnen laten doen die ze eigenlijk niet willen, doordat ze een machtspositie hebben. Allebei akkoord. Zij legt de nadruk op het feit dat er dan ook vrouwen zijn die situaties overdrijven of verzinnen, om er zelf voordeel uit te halen. Die verhalen maken de getuigenissen van vrouwen die dit echt meegemaakt hebben, minder geloofwaardig voor de buitenwereld. En dat dit ervoor zorgt dat mannen en vrouwen minder spontaan met elkaar kunnen omgaan. Opnieuw akkoord: dat is de keerzijde van de medaille.

In Brussel kregen we een tafel toegewezen. Waar de meeste duo’s toen elkaar voor het eerst zagen, hadden wij een voorsprong. Maar het gesprek viel absoluut niet stil.

Ook van andere duo’s hoorden wij heel dikwijls dezelfde reactie. Tegengestelde meningen blijken na een gesprek en argumentatie niet zo tegengesteld als verwacht. Met wat respect en begrip voor elkaars mening kom je al een heel eind. Het is ook iets dat van toepassing is bij een andere stelling die aan bod kwam: ‘Zijn we te onverdraagzaam voor migranten?’. Opnieuw: als je elkaar leert kennen, dan groeit het begrip. Zolang het over anonieme cijfers gaat, is het gemakkelijk om negatief te zijn. Maar bvb. de solidariteitsacties die er komen voor een klasgenootje die hier al enkele jaren verblijft maar dreigt uitgewezen te worden, tonen dat dit veel moeilijker is als het over een bekende gaat.

Conclusie: ‘We delen meer dan we denken’, het was zeker van toepassing bij Het grote gelijk. Bedankt De Standaard en co voor dit initiatief.

Pleidooi voor een gebiedsdekkend wandelnetwerk

Tussenkomst bij mijn voorstel in de provincieraad om de reeds bestaande wandelnetwerken met het knooppuntensysteem uit te breiden en aan te vullen met als doelstelling om deze gebiedsdekkend te maken over het hele grondgebied van de provincie.  

“Beste collega’s,

Ik heb vandaag nog eens een attribuut meegebracht: enkele van de provinciale wandelnetwerkkaarten. Ik maak er regelmatig gebruik van, en doordat je eindeloos kan variëren en je eigen wandeling op maat samenstellen, is het één van de absolute topproducten van het provinciebestuur en Westtoer.

Zo goed, dat wij graag zouden zien dat elke West-Vlaming dicht bij de deur van dit topproduct zou kunnen genieten.

Momenteel zijn al een aantal regio’s in de provincie uitgerust met een wandelnetwerk. (Heuvelland, Ieperboog, Westkust, Bulskampveld, Land van Mortagne, Zwin, Kust, IJzervallei, Hoppeland, Land van Streuvels, Velden en Meersen) Dit gaat vooral over de eerder op toerisme gerichte streken in de provincie.

Wandelen kan echter zoveel meer betekenen dan een toeristische activiteit. Maar er zijn nog vele elementen zijn van belang:

·       Een wandelnetwerk kan zorgen voor recreatiemogelijkheden voor alle West-Vlamingen dicht bij huis, niet alleen voor West-Vlamingen die in een toeristisch interessante streek wonen.

·       Een wandelnetwerk kan een stimulans betekenen om regelmatig te bewegen in de buitenlucht, wat positieve gezondheidseffecten heeft. Heel wat (West-)Vlamingen hebben te weinig beweging.

·       Een wandelnetwerk kan ervoor zorgen dat trage wegen opnieuw de waardering krijgen die ze verdienen. Het kan een stimulans zijn voor lokale besturen om verbindingen in ere te houden of te herstellen, of kan ervoor zorgen dat deze minder gemakkelijk uit het landschap verdwijnen.

·       Een wandelnetwerk is economisch interessant voor de horecagelegenheden die langs de wandeltrajecten liggen. Het heeft zeker een impact op het aantal klanten en kan voor landelijke gebieden het verschil betekenen tussen het al dan niet voortbestaan van een horeca-aanbod.

We beseffen uiteraard dat dit een werk van lange adem is en niet van vandaag op morgen kan gerealiseerd worden. Daarom laten we het aan de deputatie om een uitvoeringstempo te bepalen. Maar als de doelstelling duidelijk is, dan is er tenminste al een stimulans aanwezig voor lokale besturen of andere partners om zorg te dragen voor de bestaande verbindingen.”

 

Spijtig genoeg bekijken de andere partijen dit eng toeristisch en schermen met de kwaliteitsvereisten van Toerisme Vlaanderen om hiervan een toeristisch topproduct te maken en de kostprijs om dit niet te doen. Terwijl je perfect zou kunnen een onderscheid maken tussen verschillende soorten wandelnetwerken. Spijtig, maar misschien niet getreurd: in de notulen van de provincieraad staat wel dat het voorstel unaniem goedgekeurd werd. Het klopt eigenlijk niet, maar blijkbaar ben ik de enige die dat opgemerkt heeft. En als dat niet pakt: het voorstel was de aanleiding tot heel wat mooie intenties van enkele meerderheidspartijen om toch iets te doen om het landschap in West-Vlaanderen te versterken en recreatief beter te ontsluiten. Dat laatste volg ik zeker op!

Maar liefst 1/3 van verkozenen in bureau provincieraad

Ter info: het bureau van de provincieraad is een orgaan dat de werkzaamheden van de raad regelt, vooral op praktisch-organisatorisch vlak. Tot nu toe bestond dit uit de voorzitter en 15 leden, aangevuld met 3 gedeputeerden (1 per meerderheidspartij) als waarnemer. Dat was goed voor ongeveer 25% van alle verkozenen. 

Beste collega’s,

We zijn een nieuwe legislatuur gestart. En kijk eens even rond, we zijn nog met 36 in plaats van 72. Of we daar nu gelukkig mee zijn of niet, het is een feit. Voor de collega’s die hier al langer dan vandaag vertoeven, zal het zeker even wennen zijn. Maar met de Groen-fractie zouden wij toch veronderstellen dat we onze organisatie daar ook zullen naar aanpassen, en niet blijven doen alsof we nog steeds met 72 zijn.
Als we het voorstel zien van de samenstelling van het bureau, dat straks voorligt, dan hebben wij toch die indruk. Dat bureau zou straks 11 leden tellen, met daarnaast nog 1 of meerdere gedeputeerden als waarnemer. Zelfs als we nu nog veronderstellen dat enkel de 1e gedeputeerde de zittingen van het bureau als waarnemer zou bijwonen, betekent dat dat de meerderheid vindt dat er 1/3 van alle verkozenen nodig zijn om deze provincieraad te laten werken.
Dat betekent dat de meerderheid vindt dat dat van zijn 20 verkozenen er 9 nodig zijn om deze raad te organiseren, en dat de CD&V vindt dat hiervoor maar liefst de helft – 5 van de 10 – van zijn verkozenen nodig zijn. ik denk toch dat iedereen die de rekensom even maakt, moet inzien dat dit buiten proportie is.
De andere provincies zien dat ook in. In de andere provincies zijn er nergens meer dan 2 ondervoorzitters, in West-Vlaanderen nog 4. De enige provincie die meer dan 8 leden in het bureau telt, is Vlaams-Brabant, waar er ook een extra politieke partij in de provincieraad zetelt.
Straks telt het provinciale bureau meer leden dan het vast bureau van het Vlaams parlement, onze toezichthoudende overheid, dat 8 leden telt. Toegegeven, die worden soms vervoegd door de 6 fractieleiders, maar het Vlaams parlement telt wel iets meer leden van 36, met name 122 of drie keer meer dan onze provincieraad.
Het lijkt ons niet meer dan logisch om het aantal leden van het bureau aan te passen aan de nieuwe samenstelling van de provincieraad, en dus het aantal leden te halveren. Daarom dienen wij daarvoor een amendement in. Tot nu toe was het maximale aantal 15 naast de voorzitter, het is dan ook logisch –en we ronden nog af naar boven- om dit te beperkten tot 8 leden. En dat biedt de meerderheid in de raad perfect de mogelijkheid om ook in het bureau een comfortabele meerderheid te behouden.

Overzicht:
West-Vlaanderen: 1 voorzitter: CD&V; 4 ondervoorzitters: CD&V/SP.A/Open VLD/N-VA; 3 secretarissen: CD&V/SP.A/Open VLD; 3 leden: CD&V/Vlaams Belang/Groen: 11 + ? gedeputeerden
Oost-Vlaanderen: 1 voorzitter, 1 ondervoorzitter, 6 fractieleiders: 8 + 4 gedeputeerden
Vlaams-Brabant: 1 voorzitter, 2 ondervoorzitters, 7 fractieleiders: 10 + 4 gedeputeerden
Antwerpen: 1 voorzitter, 1 ondervoorzitter, 6 fractieleiders: 8 + 2 gedeputeerden
Limburg: voorzitter, 6 fractieleiders: 7 + 4 gedeputeerden
(Aantal raadsleden: 36, behalve Limburg: 31)

Vlaams parlement vast bureau: 1 voorzitter, 4 ondervoorzitter, 3 secretarissen: 8, in uitgebreid bureau aangevuld met 6 fractieleiders (aantal leden Vlaams parlement: 122)
Kamer bureau: 1 voorzitter, 3 ondervoorzitters, 4 leden + 8 fractieleiders: 16 (aantal kamerleden: 150)

mijn speech op de @Groen bustour in Kortrijk

Beste groene vrienden, Meyrem,

 

Ik mag jullie niet alleen hartelijk welkom heten in de stad Kortrijk, maar ook in het provinciaal kiesarrondissement Kortrijk-Roeselare-Tielt. Dat is een beetje groter dan de stad Kortrijk, natuurlijk, maar de uitdagingen zijn eigenlijk erg gelijklopend. Ook van het provinciebestuur van vandaag kunnen we zeggen: dit is geen groen beleid. Ze doen zelfs een beetje minder hun best dan in Kortrijk om het zo te noemen. Ze verkopen wel veel show, daar zijn ze ook goed in. Maar dat is geen groen beleid, dat is een traditioneel beleid waar men probeert een klein groen laagje vernis op te leggen. Ook voor de provincie kan het anders en moet het anders. En hoewel de provincie dikwijls pronkt met wat ze doen in hun provinciale domeinen, en soms is dat terecht, lijkt het wel alsof ze nooit van de betonstop gehoord hebben. Alhoewel dat ondertussen, zelfs al in de Vlaamse regering, doorgesijpeld is dat dit echt een van de uitdagingen voor de toekomst is voor Vlaanderen.

Maar bij de provincie blijft men maar voortdoen met het traditioneel uitbreiden en inplanten van nieuwe industrieterreinen. Een zonevreemd bedrijf dat wil uitbreiden in herbevestigd agrarisch gebied, dat kan allemaal. Wij als enigen geven daar tegenwind. Op dat moment zijn wij de bondgenoten van de landbouwsector, en niet de partijen die altijd pretenderen om dat te zijn. Ja, wij staan voor een leefbaar inkomen van de familiale landbouwer. Maar wij staan niet voor de grootschaligheid en de industrialisering van de landbouw zoals we die vandaag zien. De situaties de afgelopen jaren in de slachthuizen van Izegem en van Tielt bijvoorbeeld hebben ons getoond waar dat ons toe leidt.

En wij staan voor natuur, wij staan voor echte natuur in onze regio. We hebben er al weinig, wat doet het huidige provinciale beleid? Als ze fietssnelwegen aanleggen, dan vinden ze het nodig om de laatste snippers natuur die we in deze dichtbebouwde regio nog hebben onder een laag asfalt te doen verdwijnen. Mochten wij kunnen fietssnelwegen aanleggen, wij zouden dat op een andere manier doen.

En ja, wij als Groen, staan voor economische ontwikkeling. Maar wel op een duurzame manier. Wij zijn de windrijkste provincie door onze ligging aan zee. Laat ons dus bijvoorbeeld volop inzetten op het uitbouwen van windenergie in onze provincie, wat vandaag echt niet gebeurt. Dat zou een veel betere investering zijn, dan –hier een klein beetje verder- een verlieslatende luchthaven voor de happy few kunstmatig in leven te houden.

Ik zou zo nog een tijdje kunnen voortgaan met voorbeelden geven hoe wij het anders zouden doen. Maar ik ga niet alle 12 de speerpunten uit ons provinciaal programma toelichten vandaag, anders sta ik hier langer aan het woord dan David (Wemel, lijsttrekker voor Groen voor de stad Kortrijk, nvdr) en dat is niet de bedoeling. En dan moeten jullie nog langer wachten op de laatste spreker, Meyrem (Almaci) en dat is ook niet de bedoeling.

Dus ook voor de provincie West-Vlaanderen hopen wij dat we er in slagen om een goed resultaat neer te zetten. Door de hertekening van de kieskringen is Kortrijk-Roeselare-Tielt de grootste kieskring van onze provincie. En als er een kieskring is waar we twee zetels kunnen halen dan is het hier. Persoonlijk ga ik daarvoor, dat is mijn ambitie. En dan hoop ik dat Ilse Bleuzé, hier uit Kortrijk, ook verkozen is en samen met mij naar de provincieraad mag. Laat ons daarvoor gaan!

Menen Pest

Halfweg september was ik, samen met Philippe Mingels (Groen-gemeenteraadslid in Menen),  op een infovergadering georganiseerd door het buurcomité De Alerte Koekuit waarin de provincie haar plannen voor Menen West kwam verdedigen. De provincie doet heel veel goede dingen, maar af en toe ben ik ook beschaamd om wat dit bestuur naar voor brengt en hoe het de mensen behandelt. Dit was zo’n moment.

Een korte geschiedenis: bij de afbakening van het kleinstedelijk gebied Menen in 2013 werd een zone tussen Menen en Wervik aangeduid als bijkomende industriezone. Die zone paalt aan een woonwijk, die al te lijden heeft van een bestaande grote industriezone: Menen Grensland. Geur- en lawaaihinder zijn er belangrijke ergernissen, en er gebeuren al jaren dioxinemetingen omdat er sterk vervuilende bedrijven gevestigd zijn. De buurt gaat, met inhoudelijke ondersteuning van Philippe Mingels, naar de Raad van State en wint de zaak, waardoor de ruimtelijke bestemming van het gebied weer geschrapt wordt. Voornaamste argument is dat de provincie slechts 1 zone onderzocht om te bestemmen als industriegebied, en geen alternatieven.

Het duurt niet lang of het provinciebestuur begint van voor af aan. Deze keer wel met het onderzoeken van verschillende mogelijke inplantingen, tussen Menen en Wervik en tussen Menen en Wevelgem. Niet echt verrassend was het resultaat van dit onderzoek dezelfde zone als eerder al aangeduid werd (er waren ondertussen natuurlijk al heel wat speculatieve aankopen van gronden in de betrokken zone).

De huidige beleidsploeg, gedeputeerde Franky De Block op kop, schermt met ‘objectieve feiten’, zoals een onderzoek naar de behoefte aan ruimte voor bedrijven dat aantoont dat er nood is aan extra ruimte voor bedrijvigheid. Voorstanders van bijkomende bedrijventerreinen schermen ook met het argument van de werkloosheid.

Spijtig genoeg wordt er niet naar álle feiten gekeken. Want in de periode 2011-2012 werd in Menen (en Wevelgem) een biomonitoringsonderzoek gevoerd. Dit omdat er een hotspot aan vervuilende bedrijven aanwezig is waarvan er een vermoeden was dat ze gezondheidsproblemen veroorzaken. Aan de hand van stalen van urine en haar van jongeren werd gekeken of er vervuilende stoffen aanwezig waren die een impact hadden op de gezondheid van de deelnemers. Het antwoord was overduidelijk: JA.

Op basis van dat feit is er eigenlijk maar 1 logische conclusie mogelijk: er moet iets gedaan worden aan de uitstoot van de bestaande bedrijven. Maar het huidige beleid, zowel van de stad (want de huidige meerderheidspartijen zijn vragende partij) als van de provincie, doet eigenlijk het omgekeerde: het is van plan om nog een bijkomende industriezone in te planten, met bijgevolg bijkomende vervuiling. Er wordt de keuze gemaakt om de gezondheid van de omwonenden ondergeschikt te maken aan de belangen van de industrie.

Maar dat werd op die infoavond natuurlijk niet gezegd. Er werd met heel veel woorden getracht om het onverdedigbare toch te verdedigen. Als mensen klachten over geluid hebben, wordt geschermd met de geluidsnormen. Maar het is natuurlijk op een bedrijventerrein wel toegelaten om lawaai te produceren! Dat de normen gerespecteerd worden, betekent helemaal niet dat de omwonenden geen klachten kunnen hebben.

En toen men de indruk wilde geven dat een nieuw industrieterrein ‘niet-milieubelastend’ is, kon ik het toch niet laten om eens uit mijn krammen te schieten. Niet-milieubelastende bedrijven bestaan niet! Eén van de stoffen die een probleem bleken in het biomonitoringsonderzoek zijn PAK’s (polyaromatische koolwaterstoffen). Ik bespaar jullie de technische uitleg, maar een van de belangrijkste bronnen in Vlaanderen van PAK’s is het verkeer. Wat zijn dan niet-milieubelastende bedrijven? Fabrieken waar geen enkele vrachtwagen naartoe rijdt? Waar geen enkele werknemer met de wagen komt? Extra bedrijven is extra vervuiling. Punt. En dat op een locatie waar wetenschappelijk bewezen is dat de bestaande bedrijven al een impact hebben op de gezondheid van de omwonenden. Welke feiten heb je nog nodig?

En werkgelegenheid is ook al een vals argument. Mocht er een relatie zijn tussen de oppervlakte aan industrie in een gemeente of stad en de werkloosheidscijfers, dan zou Menen een erg lage werkloosheid kennen. Want met Menen Grensland, Menen-Oost, de LAR en de recente uitbreiding LAR Zuid is Menen al ruim van industriegebied bediend. Neen, nieuwe bedrijven zullen eerder, zoals in heel Zuid-West-Vlaanderen, moeten recruteren in Noord-Frankrijk en Wallonië of tot ver buiten de regio om voldoende geschikte werknemers te vinden.

En op het einde van de avond komt gedeputeerde De Block dan nog zijn gekende liedje afspelen over ‘democratische inspraak’. En dat terwijl het huidige provinciebestuur doof blijft voor de verzuchtingen van de omwonenden en tegen alle logica in toch blijft vasthouden aan het ouderwetse concept van steeds meer ruimte innemen voor industrie. Hoog tijd voor een ander beleid!