Bezwaarschrift dempen Oude Leie-arm Wielsbeke

Bezwaarschrift dempen Oude Leie-arm Wielsbeke, dossier OMV2019045267

Beste,

Bij deze wens ik bezwaar in te dienen voor dit dossier. Het is onaanvaardbaar dat een bestaande oude Leie-arm zou gedempt worden.
De Vlaamse overheid slaagt er niet in om de doelstellingen van 500 ha natte natuur te realiseren in het kader van het rivierherstel Leie, noodzakelijk om de infrastructuurwerken aan de rivier te compenseren.
Ook in het kader van het klimaatbeleid wordt vanuit de Vlaamse overheid de nadruk gelegd op ontharden en het vermijden van bijkomende betonnering van het landschap.
Het verwijderen van een bestaand waardevol stuk natte natuur voor verharding staat dan ook haaks op de bovenstaande doelstellingen.
Het dossier vermeldt dat de oppervlakte te realiseren wetland (3000 m2) kleiner is dan de oppervlakte van de bestaande oude Leie-arm (8800 m2). Dit kan dus nooit volstaan als voldoende compensatie voor het opvullen van een zone gelegen in overstromingsgevoelig gebied.
Er wordt in het dossier niet aangetoond dat het voorziene compensatievoorstel de biodiversiteit die verloren gaat in het huidige gebied met water en beplanting, volwaardig kan compenseren. Een deel van de gronden die in aanmerking komen voor compensatie is een voormalige stortplaats, waardoor de mogelijkheden tot natuurinrichting voor natte natuur beperkt is, tenzij er eerst een sanering uitgevoerd wordt.
Ik vraag dan ook om de vergunning voor wat betreft het luik dempen van de oude Leie-arm en rooien van bomen niet te verlenen.
Het gedeelte natuurcompensatie kan wel vergund en gerealiseerd worden in het kader van de doelstellingen van het rivierherstel. Het is immers niet aanvaardbaar dat de natuurbestemming van natuurgebied enkel gerealiseerd wordt om te dienen als compensatie voor natuur die elders verdwijnt.

(naam & adres)

Het bezwaar indienen kan digitaal via het omgevingsloket met deze rechtstreekse link naar het dossier of per brief gericht aan het College van burgemeester en schepenen, Rijksweg 314, 8710 Wielsbeke.

Afscheid van mijn jeugd

Mij ma verhuist. Na 42 jaar in de Ruitersweg naar een kleinere woning. Van die 42 jaar heb ik er 24 ook gewoond. Maar de volle 42 jaar was het mijn thuis, een plek die helemaal vertrouwd voelt. Een unieke plaats, met vooral een unieke tuin. Ik besef dat het een voorrecht was om op te groeien met zo’n grote tuin ter beschikking om te spelen.

In onze chirojaren had die tuin zelfs een bijnaam: ‘het provinciaal domein’. Dat was wel met een lichte overdrijvingscoëfficient onze leidingsploeg eigen, maar het zegt wel iets over de mogelijkheden die er waren.

Kampen in vele vormen en maten, van een oude boerenkar over een boomhut tot zelfs ondergronds. Volop mogelijkheden om in bomen klimmen en apenbruggen te installeren. Verborgen ‘schatten’ in oude gebouwen en onder de grond. Er was ruimte zat om verstoppertje, oorlogje en buske stamp te spelen. Er was toen zelfs een holle boom waar we volledig in konden kruipen. Buren, vrienden, de chiro-afdelingen waar zus en ik leiding van waren, maar ook mijn zonen en neven hebben er gespeeld. Een paar weken geleden heb ik nog samen met mijn zonen bladeren geruimd. Ze deden hetzelfde als ik destijds: eerst 1 grote stapel bijeenharken, en dan erin springen. Hoe mooi kan het jongensleven zijn.

Het zal wel voor iedereen een beetje lastig zijn om afscheid te nemen van een ouderlijke woning. Het klinkt sentimenteel (en het is het ook), maar voor mij voelt het een beetje als afscheid van mijn jeugd.

Gelukkig is het huis in goede handen. Gekocht door iemand met hetzelfde chiroverleden. Die respect heeft voor de sfeer die het huis en de tuin uitstralen. Met jonge kinderen die hopelijk evenveel plezier aan die plaats zullen beleven als ik gedaan heb.

Vandaag is het de laatste keer dat we in de Ruitersweg nieuwjaar vieren, binnen enkele dagen is de verhuis gepland. Het zal waarschijnlijk een moeilijk moment zijn. Maar als ik huil vanavond, ma, maak je geen zorgen. Dat is omdat ik hier zo’n fantastische jeugd beleefd heb. Ik kan er alleen maar dankbaar voor zijn.

Cijfers nitraat en fosfaat in West-Vlaamse waterlopen dramatisch

Tijdens de vorige legislatuur verdiepte collega Alex Colpaert zich regelmatig in de cijfers rond nitraat en fosfaat in de West-Vlaamse waterlopen op basis van de rapporten van de VMM hierover opmaakt. Verschillende keren kwam dit in een mondelinge vraag aan bod.

En het is droevig dat het nodig is dat ik zijn rol overneem en dit nogmaals ter sprake moet brengen. Want de cijfers zijn, spijtig genoeg, echt niet goed, en het slechtst in West-Vlaanderen. Het aantal overschrijdingen van de norm van 50 mg/l is over de hele provincie 62%, in het Leiebekken gaat dat zelfs tot 70%, een stijging van 23%. Doelstelling is 5%.

U ziet één van de verschillende weergaves op kaart op het scherm, wat duidelijk aangeeft hoe West-Vlaanderen zich situeert tegenover de andere provincies, en waar je kan zien dat waar de nitraatnorm de goede richting uitgaat, fosfaat dan problematisch is.

U heeft in het verleden gefocust op de positieve elementen en de verzachtende omstandigheden. En ik begrijp dat ook. U kon toen nog zeggen ‘het gaat te traag, maar de evolutie is positief’. Of er waren uitzonderlijke weersomstandigheden: te veel of te weinig water in bepaalde periodes. En inderdaad, het meetnet in Vlaanderen is zeer fijnmazig (het is ook moeilijk om een grotere waterloop te vinden die niet onder invloed staat van de industrie of waterzuiveringsinstallaties).

Vandaag moeten we vaststellen dat deze argumenten niet meer bruikbaar zijn. De trend is na een aantal jaren van stagnatie negatief, en wat we tot voor enkele jaren nog als uitzonderlijke weersomstandigheden konden beschouwen, wordt het nieuwe normaal. Mestactieplan na mestactieplan wordt vastgesteld dat de genomen maatregelen lang niet volstaan om de normen te halen.

De vraag is dan ook of we stilaan niet moeten stilstaan bij de olifant in de kamer: de grootte van de veestapel in (West-)Vlaanderen, die steeds toeneemt. Moeten we niet stilaan onder ogen zien dat de steeds groeiende grootschaligheid en industrialisering van de landbouwsector ons belet om de te hoge concentraties van nitraat en fosfaat in onze waterlopen aan te pakken?

Dit voorjaar kwam in de media, onder andere door parlementair werk van Bart Caron, dat er fraude gepleegd wordt met mesttransporten: (half)lege vrachtwagens rijden tussen boer en mestverwerker, om zo de indruk te wekken dat de mest verwerkt wordt, maar in werkelijkheid wordt die wellicht gewoon geloosd. Het zou dus wel eens kunnen zijn dat een deel van de sector de inspanningen van de landbouwers die wél de nodige maatregelen nemen teniet doen.

Zolang er problemen zijn om de normen te halen, zal Vlaanderen bijkomende maatregelen moeten nemen, waar onze landbouwers de gevolgen van ondervinden. Zou het daarom niet beter zijn, in de eerste plaats voor onze landbouwers zelf, dat er maatregelen komen die de grootte van de veestapel laten dalen of op zijn minst de verdere groei laten stoppen?

 

Over lange armen en provinciale subsidies

Het is al een tijdje dat ik mij buig over de subsidies die de provincie her en der geeft aan allerlei organisaties. De focus is voor mij dat een subsidie gelijkaardig moet zijn voor gelijkaardige organisaties of werkingen of moet gebaseerd zijn op objectieve criteria. Zo kreeg ik in de vorige legislatuur voor elkaar dat niet alleen Tuinhier, maar ook Velt een jaarlijkse subsidie van 10.000 euro kreeg.

Bij de lopende budgetbesprekingen kon een tussenkomst hierover dan ook niet ontbreken. Aanleiding hiervoor was een verhoging van de (bescheiden) subsidies aan wat onder de noemer vaderlandslievende verenigingen kan samengevat worden. Door de afslanking van de bevoegdheden is het aantal organisaties die ondersteund worden al sterk verminderd, maar deze subsidies zijn dankzij de verhuis van de bevoegdheid cultuur naar communicatie overeind gebleven. Er werden in de vorige legislatuur aan 3 verenigingen bedragen uitbetaald tussen de 375 en 750 euro.
“Ik zal mijn tussenkomst beginnen met een citaat uit de eerste schriftelijke vraag die ik ooit over dit onderwerp stelde. 1 zin uit het antwoord luidde: ‘Verenigingen die een extra activiteit plannen bovenop hun ‘normale’ werking blijken vertrouwd genoeg met de werking van de provincie, en geven de deputatie en/of administratie soms een seintje om een extra dotatie aan te vragen.’ Vrij vertaald betekent dat: ‘wie de langste arm heeft, krijgt het meeste geld’. Met de interventies die ik in de vorige legislatuur deed, heb ik zo te zien al iets kunnen bereiken. Nu is het zo dat, als er 1 vereniging iets bijvraagt, er tenminste gekeken wordt naar de verschillende gelijkaardige subsidies. Dus als er eentje een lange arm heeft, profiteert de rest nu mee. Dat is al iets. In de schriftelijke uitleg op mijn infovraag lees ik ‘De aanleiding was een vraag vanuit 1 oudstrijdersvereniging in Kortrijk, waarop de deputatie beslist heeft om een verhoging toe te kennen aan de 3 verenigingen, zodat ze op zelfde niveau kwamen’. Ik wil dan ook vragen wat u precies verstaat onder ‘zelfde niveau’? Want de bedragen variëren niet langer tussen 375 en 750 euro, maar nu tussen 500 en 1000 euro, met dus verhogingen tussen de 125 en 250 euro. Uit de cijfers blijkt dus niet dat de verenigingen op hetzelfde niveau komen, eerder dat de verschillen nog groter worden.”

De gedeputeerde antwoordde dat het eerder ging over een evenredige verhoging, dat het over kleine bedragen ging voor verenigingen die waardevol werk verrichten en dat het hiervoor toch niet wenselijk is om een reglement uit te schrijven.
Daarmee was hij nog niet van mij af. ‘Meneer de gedeputeerde, ik pleit hier niet om een reglement op te maken, en ik heb ook alle respect voor het werk van die verenigingen. Maar het enige wat er aan de provincie moet aangetoond worden om de subsidie te krijgen, is dat het geld opgebruikt is. Dat is natuurlijk niet moeilijk om te bewijzen. En dus komt het er in de praktijk op neer dat wie de grootste receptie geeft, het meeste geld krijg. Ik vind dat toch niet logisch.’
En dan volgen de verrassende woorden: ‘ja, u heeft gelijk.’ Het is al iets, maar de bedragen aanpassen, dat zal toch niet gebeuren. Misschien voor een volgende begroting…

Van riek tot sensor – rede gouverneur over landbouw

Vandaag was er de jaarlijkse rede van de gouverneur, en die ging deze keer over landbouw. Een logisch thema voor landbouwprovincie West-Vlaanderen. Het is inderdaad één van de economische troeven van onze provincie. De rede was voor de gelegenheid in de gebouwen van Inagro, het provinciaal onderzoeksinstituut voor de landbouwsector.

En de gouverneur kaartte veel terechte items aan waar we met Groen op dezelfde golflengte zitten.

Zo was klimaat prominent aanwezig. ‘Onze landbouwers ondervinden als eerste de gevolgen van klimaatverandering’ is een zeer terecht uitspraak en maakt zelfs voor non-believers duidelijk dat er iets moet aan gedaan worden. Koolstofopslag in de bodem kan een bijdrage leveren en zorgt meteen ook voor een gezonde bodemstructuur, die beter bestand is tegen droogte. ‘De laatste decennia verloren de boeren echter het belang van een goede bodemvruchtbaarheid wat uit het oog: de bodem werd soms gebruikt als substraat waar met input van voldoende meststoffen en gewasbeschermingsmiddelen in alle omstandigheden op kan geteeld worden.’ is één van de meer kritische uitspraken uit de rede.

Het tegengaan van voedselverspilling, benutten van reststromen, stimuleren van de korte keten, circulaire economie, agrobiodiversiteit, promoten van biolandbouw, zijn allemaal terechte aandachtspunten. De gouverneur beseft dat onze natuurlijke hulpbronnen uitgeput raken en hoort de roep naar duurzame voedselproductie steeds luider klinken.

Hij is ook een pleitbezorger voor nieuwe technologie en verwacht veel van robotisering, drones (die afgelopen zomer ook onder impuls van de gouverneur zelf gebruikt werden om het beregeningsverbod te controleren), precisielandbouw,… Zelfs een oproep dat de landbouwsector 5G nodig heeft, kwam in de rede voor. Maar tegelijkertijd is er een – heel terechte – waarschuwing dat technologie niet alles oplost.

Toch ging de gouverneur de echt hete hangijzers uit de weg. De grootte van de veestapel werd wel eens vermeld (16 miljoen dieren op iets meer dan 1 miljoen inwoners), maar niet als een probleem bestempeld (enkel als bron van klimaatimpact). Nochtans is dat de kern van vele problemen in de landbouwsector. In de raad van bestuur van Inagro ging het deze week nog over de problemen met nitraat in grond- en oppervlaktewater, het nieuwe Mestactieplan en bijhorend meetnet, de invloed van het weer en klimaat hierop… De essentie van dit probleem is: er is teveel stikstof/mest in West-Vlaanderen. En zoals de gouverneur zei: met technologie los je niet alles op. Zolang de veestapel mag toenemen, zal dit probleem niet opgelost raken. En het ergste is: de steeds grootschaliger veeteeltbedrijven leiden lang niet altijd tot een leefbaar inkomen voor de boer, denk maar aan de varkenssector (als er al een boer bij de pas komt, want het is niet zeldzaam dat dit een loonwerker wordt in dienst van een veevoederfabrikant). Zélfs economisch heeft het dus geen meerwaarde…

Ook dierenwelzijn, eveneens gelinkt met de intensieve veeteelt, kwam niet aan bod. Nochtans iets waar dierenrechtenorganisaties terecht een actiepunt van maken. Verschillende slachthuizen uit onze provincie kwamen al in de media met bedenkelijke praktijken, denk maar aan Tielt en Izegem.

Nog een belangrijk knelpunt dat volgens mij hier een plaats verdiende is het oneigenlijk gebruik van landbouwgrond. Hoewel in West-Vlaanderen 68% van de oppervlakte landbouwgrond is (het Vlaams gemiddelde is 51%), is het een groot probleem, zeker voor jonge of startende boeren, om voldoende grond ter beschikking te hebben. Fenomenen als vertuining en verpaarding hebben daar een belangrijke bijdrage aan. Ook leegkomende hoeves worden heel dikwijls gebruikt voor bedrijvigheid die niets met landbouw te maken heeft en onttrekt zo gronden die de boeren hard nodig hebben. In de rede staat bijvoorbeeld de trieste vaststelling dat een organisatie als de Landgenoten, een coöperatieve die bioboeren van grond voorziet, nog geen enkel project heeft in West-Vlaanderen.

Misschien moet er nog een deel 2 komen over dit thema, net zoals dit ook voor veiligheid het geval was, waarin deze aspecten ook onder de loep genomen worden.

Mijn kandidatuur voor het partijbestuur

De voorbije 5 jaar was ik de West-Vlaamse vertegenwoordiger in het nationaal partijbestuur van Groen. Ik denk dat ik daar mijn mannetje gestaan heb: ik was één van de meest trouwe aanwezigen op maandagvoormiddag, kwam regelmatig tussen op de terreinen waar ik een meerwaarde kan bieden, én nam ook extra engagementen op naast die wekelijkse vergadering.

Mijn prioriteiten zijn in die 5 jaar niet veranderd:

  • Werken op maat van vrijwilligers: ik heb al vele petjes gehad in de partij in de voorbije 18 jaar, maar steeds als vrijwilliger. Ook in een groeiende organisatie (wat het geval zal zijn), ook in het steeds sneller draaiende circus dat politiek soms is, is het belangrijk om te beseffen dat de vrijwilligers nog steeds dé onmisbare basis van onze partij vormen. En dat onze werking en manier van organiseren met die vrijwilligers moet rekening houden. Soms is het nodig dat iemand daar op wijst.
  • Natuur en milieu: Ik ben beroepshalve en in mijn vrije tijd met natuur en milieu bezig, een passie die de belangrijkste drijfveer vormt van mijn politiek engagement. Ik ben gelukkig niet de enige bij Groen, maar er zijn recente voorbeelden die tonen dat onze ecologische standpunten onder vuur liggen. We mogen en we moeten een partij zijn die ambitieus is en wil groeien, maar dat betekent niet dat we geen noodzakelijke maar niet altijd populaire maatregelen moeten durven verdedigen. Soms is het nodig dat iemand daar op wijst.
  • Naast sterke inhoud ook een sterke organisatie: uiteraard doen we aan politiek voor de inhoud. Maar om onze doelstellingen te bereiken hebben we een sterke organisatie nodig. Die agendapunten zijn meestal minder populair en zijn minder druk becommentarieerd, maar daarom niet minder belangrijk. De structuur, interne organisatie, de partijuitbouw zijn instrumenten in ons politiek project. Een 80-tal personeelsleden werkt voor de partij, jaarlijks gaat er ongeveer 4 miljoen om in de partij. Daar moet voldoende aandacht voor zijn, naast inhoudelijke en strategische discussies. Niet soms, maar altijd is nodig dat daar iemand op focust. Dat doe ik in het financieel comité en het PB.

Mijn netwerk was al ruim in de partij in West-Vlaanderen, de voorbije jaren is dat gegroeid buiten mijn eigen provincie. Ik neem bvb. het voortouw in het overleg met de provincieraadsleden en startte een werkgroep ‘natuur en milieu’.

Ik hoop om mijn werk te kunnen verder zetten. In deze woelige tijden, waarin de politiek een andere richting uitgaat dan wij zouden willen, lijkt het mij belangrijk dat er naast vernieuwing ook continuïteit in het partijbestuur is.

Misschien kan ik ook op jouw steun rekenen?

 

CV
partij

  • 2001-2003: partijsecretaris Kuurne
  • 2003-2004: politiek secretaris regio Kortrijk-Roeselare-Tielt
  • 2004-2006: partijsecretaris West-Vlaanderen
  • 2005-2007: voorzitter West-Vlaanderen
  • 2007-2010: lid arbitragecollege
  • 2009: lid werkgroep campagne nationaal
  • 2010-2012: politieke raad (en van daaruit ook lid provinciaal partijbestuur)
  • 2012-heden: provincieraadslid
  • 2015-heden: lid nationaal partijbestuur
  • Campagneleider in 2000 Kuurne, 2012 Wevelgem, 2004-2006-2007-2012-2018 West-Vlaanderen
  • Kandidaat 2000 8e plaats Kuurne, 2004 4e plaats Vlaams Parlement, 2006 lijstduwer provincieraad, 2007 5e plaats Kamer, 2009 5e plaats Europees parlement, 2010 4e plaats Kamer, 2012 en 2018 lijsttrekker provincieraad, 2014 en 2019 1e opvolger Vlaams parlement

professioneel

  • 1996-2000: studies chemie + specialisatiejaar milieuwetenschappen UGent
  • 2001-2005: milieudeskundige gemeente Wevelgem
  • 2005-heden: diensthoofd milieu

engagementen

  • Vanaf 1992: actief lid lokale natuurverenigingen
  • 1995-1999: leider chiro Kuurne
  • 2007-heden: bestuurslid Natuur.koepel Zuid-West-Vlaanderen
  • 2008-2012: bestuurslid West-Vlaamse Milieufederatie (ontslag wegens kandidaat-provincieraadslid)

Waarom ik liever geen elektrische auto gekocht had

Sinds gisteren ben ik eigenaar van een elektrische wagen. Misschien had je verwacht om ‘trotse’ eigenaar te lezen. Neen, toch niet helemaal.

Het is uiteraard een heel bewuste keuze om elektrisch te gaan rijden. Ik maak me zorgen over de toestand van ons leefmilieu, lokaal en internationaal. Dat is de belangrijkste reden van mijn politiek engagement. Dus wil ik zelf ook inspanningen doen om mijn impact te beperken. Autoverkeer is in Vlaanderen een grote bron van vervuiling, en de omslag naar elektrisch rijden (liefst op groene energie – ik heb nog wat zonne-energie in overschot) biedt veel mogelijkheden om dat aan te pakken. Zo kan ik daar mijn steentje aan bijdragen. Elektrisch rijden is heel comfortabel (maar ik kom van het goedkoopste model van Dacia, dus vooruitgang op dat vlak maken was niet echt moeilijk…), door de stilte heel rustig en het nodigt uit tot energiezuinig rijden. Dus ja, ik ben blij met mijn nieuwe wagen.

Maar… het is wel niet goedkoop natuurlijk. Voor veel mensen niet haalbaar. Het is voor mij de eerste keer dat ik een wagen koop op afbetaling. Zonder die mogelijkheid, en zonder de premie van de overheid zou het ook niet lukken. De kwaliteit gaat stelselmatig omhoog (het bereik van mijn Nissan Leaf is nu aanvaardbaar om wat bewegingsvrijheid te hebben) en de prijs omlaag, maar om de fossiele brandstoffen uit de markt te prijzen, zal daar nog veel evolutie moeten in zijn. Het is dus een serieuze inspanning.

En ook, nog belangrijker: eigenlijk was ik liever geen eigenaar van een wagen meer geweest. Mocht autodelen nog veel meer ingeburgerd zijn dan nu het geval is, dan was het niet nodig om eigenaar van een wagen te zijn. Ik kijk uit naar de dag waarop ook in een middelgrote gemeente als Wevelgem mogelijk is wat het geval is bij sommige van mijn vrienden die in een grote stad wonen: 200 m van hun deur een Cambio-standplaats, en als er daar geen wagen meer beschikbaar is, kan je ook 300 m in een andere richting terecht. Helaas. Toen ik voor de eerste keer lijsttrekker werd voor de provincieraad (in 2012), had ik gehoopt om van autodelen gebruik te kunnen maken voor mijn verplaatsingen naar Brugge. Sinds kort, 7 jaar later, staat de eerste (wel meteen elektrische) Cambio-wagen in Wevelgem. Om de 2 dienstwagens van de gemeente aan te vullen die al enige tijd na de werkuren gedeeld worden. Dat voor een dikke 31.000 inwoners. Het is een begin, maar heel beperkt en het gaat dus véél, véél te traag vooruit. Doordat alternatieven als openbaar vervoer veel te beperkt zijn, zeker buiten de steden, heeft quasi iedereen een wagen en is het moeilijk om mensen ertoe te bewegen om van hun wagen afscheid te laten nemen. Autodelen is perfect voor wie voor zijn dagelijkse verplaatsingen andere manieren vindt en verkiest, en maar af en toe een auto nodig heeft.

Dus: hopelijk was dit de eerste maar ook laatste keer dat ik mij een elektrische wagen aanschafte.