Tijd voor grote schoonmaak in provinciale vertegenwoordigers

Groen is niet de partij die bezems op affiches zet, dat laten we aan anderen over. Maar toch namen we vandaag naar de provincieraad ons schoonmaakgerief mee.
Waarom? Omdat het tijd is om eens grote kuis te houden. Het provinciebestuur hield zich vroeger met zowat alles bezig. Na de interne staatshervorming mag dit niet meer en kondigt de deputatie ook aan om zich te concentreren op de zeven hoofdtaken van de provincie. We kregen dan ook al heel wat agendapunten geserveerd die in dat kader staan, en hoewel het dikwijls met wat tegenzin is, zijn al vele stappen in de goede richting gezet.
Maar het terugschroeven van de vertegenwoordigers van de provincie in allerhande organisaties ligt blijkbaar wat moeilijker. De zitjes, al dan niet gepaard gaand met de bijhorende penning, zijn de collega’s van de meerderheid (want meestal gaat het over vertegenwoordigers van de meerderheidspartijen) blijkbaar erg dierbaar. We krijgen in elk geval een lange lijst van organisaties voorgeschoteld waarin de provincie blijvend wil vertegenwoordigd zijn. Ofwel definitief (zowat de helft van het lijstje), ofwel voorlopig in afwachting dat er duidelijkheid komt over het beleidskader hiervoor vanuit Vlaanderen (bijvoorbeeld voor organisaties die straks op Vlaams niveau georganiseerd zullen worden).
Het gaat dan over zaken die geen rechtstreekse uitvoering van provinciaal beleid zijn (want daarvoor dient de provinciale administraties of interne of externe verzelfstandige agentschappen), maar organisaties die een ‘voldoende raakvlak’ hebben met de provinciale materie om een vertegenwoordiger te verantwoorden.
De motivering om dit te doen zijn heel uiteenlopend en worden creatief ingevuld. Enerzijds is het blijkbaar moeilijk om van alle vertegenwoordigingen de historiek op te sporen. Voor Groen een reden te meer om dit in vraag te stellen. Maar soms is het ook duidelijk en zelfs hilarisch. Zo is het feit dat de toenmalige deputé in 1936 stichtend lid was, al een voldoende reden voor een provinciale vertegenwoordiger in de ‘West-Vlaamse maatschappij tot kweekbevorderen van het drafpaard vzw’. Idem dito, maar wat recenter (1982) voor de ‘Vereniging bedreigde neerhofdieren vzw’. Het zijn de meest frappante voorbeelden maar voor veel organisaties zijn serieuze vragen te stellen over de link met het provinciaal beleid. Waarom moet de provincie vertegenwoordigd zijn bij een softwareleverancier als Cevi? Of bij zorginstellingen zoals het Koningin Elisabeth Instituut? Cultuurinstellingen zoals het Symfonieorkest van Vlaanderen? Allemaal erg twijfelachtig.
Ook het geven van subsidies wordt ook als motivatie voor een vertegenwoordiger gezien. Ik zou denken dat het omgekeerde logischer is: subsidies geven aan een vereniging waarvan je in het bestuur zit, maakt je rechter en partij, geen gezonde situatie.
Erg consequent zijn ze ook niet bij de meerderheid. Als de oppositie een motie indient, dan worden alle argumenten uit de kast gehaald om aan te tonen dat het geen ‘provinciaal belang’ is. Dan kan de motie onontvankelijk verklaard worden, en hoeft er geen inhoudelijke discussie en stemming te zijn. Maar als het erover gaat om een vertegenwoordiger aan te duiden, dan wordt het raakvlak met het provinciaal beleid precies veel ruimer geïnterpreteerd!
Groen pleitte voor een grote schoonmaak. We willen vertegenwoordigingen enkel nog behouden worden bij koepel- of bovenlokale organisaties die inhoudelijk voldoende te maken hebben met het provinciaal beleid. En het lijstje zal direct heel wat korter zijn!

Advertenties

Vlaamse regering laat lokaal milieubeleid in de steek

Dit opiniestuk werd gepubliceerd in Lokaal, het tijdschrift van de VVSG (Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten)

Op maandag 7 oktober viel een deprimerend bericht in de mailboxen van de lokale milieu-ambtenaren. De milieumail van de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten kopte ‘geen milieuconvenant meer’. Daarmee valt het doek over een instrument dat al sinds 1991 richting geeft aan het lokale milieubeleid.

Dat de milieuconvenant of ‘samenwerkingsovereenkomst’, zoals het instrument sinds 2002 heette voor verbetering vatbaar was, is een understatement. Wellicht bestaat er geen milieuplanner van een stad of gemeente die zich nog niet geërgerd heeft aan de overmaat aan allerhande regels en regeltjes die allerhande inhoudelijke en procedurele zaken tot in de kleinste details regelen. Daar waar van gemeentes verwacht wordt dat ze ‘integraal’ werken, zag de behandelende Vlaamse ambtenaar dikwijls enkel zijn eigen ‘kokertje’. Veel auteurs van milieujaarprogramma’s zullen allicht niet rouwig zijn dat het schrijfwerk en de administratieve formaliteiten daarrond wegvallen.

Maar de financiële ondersteuning die deze convenant bood voor het lokale milieubeleid, was natuurlijk wel welkom. Tegenover de basisverplichtingen stond een forfaitair bedrag, dat hielp om het basisniveau aan milieubeleid van de lokale besturen op te krikken en op niveau te houden. In gemeentes die via het onderscheidingsniveau een duurzaamheidsambtenaar aan het werk konden zetten, zagen allerhande interessante initiatieven het licht. Want een goed milieubeleid is dikwijls meer een kwestie van ‘tijd kunnen besteden aan’ dan ‘geld hebben voor’. Vele contractuele duurzaamheidsambtenaren zullen nu op zoek moeten gaan naar een nieuwe job. Menig milieuambtenaar heeft ook interessante projecten op het budget kunnen krijgen met de wortel van de projectsubsidie uit de samenwerkingsovereenkomst. Zeker in de huidige tijden van besparingen, dreigt deze stopzetting belangrijke gevolgen te hebben voor het lokale milieubeleid.

Nochtans was een opvolger voor de samenwerkingsovereenkomst al aangekondigd, weliswaar in een soort welles-nietes spelletje. De afschaffing van de milieuconvenant kwam voor het eerst ter sprake in het witboek interne staatshervorming, waarbij het geld van de convenant zou gaan naar milieuhandhaving op Vlaams niveau en subsidiëring van rioleringswerken (waar dit bedrag een druppel op een hete plaat vormt). Die intentie kwam daar onverwacht uit de lucht vallen, waarschijnlijk een ingeving van het moment in een of andere nachtelijke vergadering. In elk geval was hierover vooraf geen enkele vorm van overleg met de gemeentes. Bovendien miste de milieusector even later de boot van de Beleids- en Beheerscyclus of BBC, het nieuwe systeem om de financiën en beleidsdoelstellingen van de lokale besturen op te volgen. Om de planlasten te verminderen, stelde Vlaanderen voorop dat alle rapportage en ondersteuning via dit kanaal zou kunnen verlopen. Maar waar sectoren als sport, cultuur en jeugd wel aan bod kwamen, werd milieu niet in de BBC opgenomen. Na heel wat protest beloofde de minister kort daarna toch met een deel van de beschikbare middelen een soort ‘milieuconvenant light’ te maken. Behalve dat het onaangenaam was dat het over beperktere middelen ging, was de rest van het nieuwe concept eigenlijk wel verdedigbaar. Het zou een soort projectenveloppe worden, met een afgesproken bedrag waarop elke gemeente beroep kon doen. Het geld kon ingezet worden rond 6 door Vlaanderen geselecteerde thema’s. De projecten moesten een voldoende schaalgrootte hebben en een duidelijke impact. Het bood de kans om duidelijke en eigen beleidskeuzes  te maken, op maat van de stad of gemeente gesneden. De administratieve formaliteiten konden beperkt gehouden worden. Een verademing na het puntjes sprokkelen met kleine initiatieven en van alles wel iets te doen, zoals het vroeger dikwijls was.

Maar deze week bleek dat de Vlaamse regering dus toch het kind met het badwater gaat weggooien en het al uitgewerkte en aangekondigde alternatief niet op de agenda brengt. Van behoorlijk bestuur gesproken… Vlaanderen rekent nu op de maturiteit van het lokale beleid om het thema milieu niet te laten vallen. Dat zal in een aantal gemeentes inderdaad zo zijn. Waar geëngageerde ambtenaren actief zijn, en een beleidsploeg die niet alleen over duurzame ontwikkeling praat omdat het nu eenmaal hip is, hoeven we wellicht niet te pessimistisch te zijn. Maar in heel wat andere gemeentes zal het belang van het milieubeleid wellicht pijlsnel dalen. In een periode waarin het steeds duidelijker wordt dat we onze aarde aan het opsouperen zijn, is deze Vlaamse beleidskeuze niet uit te leggen.

Het lokale milieubeleid wordt zo in de steek gelaten.

 

Maarten Tavernier is diensthoofd milieu in een West-Vlaamse gemeente en schreef dit opiniestuk in eigen naam