Groen en landbouw, samen voor open ruimte

Groen en de landbouwsector staan er niet direct om bekend om dikke vrienden te zijn. Vele landbouwers tonen een soort aversie tegenover groene standpunten en voelen zich bedreigd als we pleiten voor meer natuur en een hogere milieukwaliteit.

Maar dikwijls voeren we ook dezelfde strijd. Waar overheden grote stukken open ruimte, in (West-)Vlaanderen behoorlijk zeldzaam aan het worden, willen inpalmen voor industriezones, verkeersinfrastructuur of andere harde functies, delen we dikwijls hetzelfde standpunt en voeren samen actie. Denk maar aan voorbeelden als de Blauwpoort in Waregem, de doortrekking van de A19 in de Westhoek en de verbreding van het Schipdonkkanaal in de Brugse regio. Landbouwers willen hun grond niet kwijt, Groen verdedigt een zuinig ruimtegebruik en wil waardevolle landschappen behouden.

Als lijsttrekker voor de provincie had ik weinig debatten in aanloop van de verkiezingen in 2012. De provincieraadsverkiezingen worden verdrongen door de burgemeestersstrijd in de steden en gemeenten en krijgen weinig aandacht in de media. Maar ik werd wel gevraagd de groene standpunten te gaan verdedigen in een debat georganiseerd door de Groene Kring, een vereniging van jonge landbouwers. Een soort van hol van de leeuw volgens sommigen. En veel stemmen zal ik daar wellicht niet gewonnen hebben. Maar ik kreeg na het debat wel een heel mooie reactie van enkele toehoorders: “We hadden een heel ander idee van de standpunten van Groen, we wisten niet dat die op sommige punten zo landbouwvriendelijk waren”. Missie geslaagd, die avond.

En inderdaad, de perceptie is niet altijd de werkelijkheid. Het provinciebestuur van West-Vlaanderen zal allicht een landbouwvriendelijk imago hebben. In onze landbouwprovincie staat de CD&V, waar de boerenbond een van de drie standen is, nog altijd heel sterk. Ook de andere traditionele partijen proberen goede vrienden met de landbouwsector te zijn. Vergunningen worden vlot verleend. Ook voor grote mestverwerkingsinstallaties bij landbouwbedrijven, ook voor megastallen, zelfs ook voor nertsenkwekerijen. Lobbywerk van landbouwverenigingen wordt meer welwillend benaderd dan van dat van natuurverenigingen.

Maar de realiteit is dat het provinciebestuur de deur meer dan voorheen open zet voor het knabbelen aan het landbouwareaal. In de actualisatie van het provinciaal ruimtelijk structuurplan (of PRS) worden een reeks nieuwe kernen aangeduid waar extra woon- en industriegebied kan bijkomen. Dat zal bijna uitsluitend ten koste gaan van landbouwgrond, maar daar zullen ze wellicht de aandacht van de landbouwers niet op vestigen. Of misschien op een andere manier, want het omzetten van landbouw- in bouwgrond is natuurlijk wel financieel lucratief. Niet toevallig is er veel meer protest als de overheid natuur wil realiseren, en veel minder als er een nieuwe industriezone bijkomt. Nochtans is het even logisch om natuur te realiseren in natuurgebied op het gewestplan dan woningen te bouwen in woongebied. Er gaat veel meer landbouwgrond verloren aan harde bestemmingen als wonen en industrie dan aan natuur. We hebben in West-Vlaanderen een deputé van landbouw die naar de protestacties van de boerenbond gaat tegen het rivierherstel Leie, een heel belangrijk natuurproject in het heel groenarme Zuid-West-Vlaanderen. Hij zou beter even hard protesteren bij het zoveelste nieuwe woon- of industriegebied dat knabbelt aan de open ruimte. Dat kan meer landbouwgrond redden.

Groen pleit voor inbreiding binnen het bebouwd gebied, het efficiënter gebruiken van ruimte en behoud van de beperkte open ruimte die er nog is. En voor het gebruik van landbouwgrond om inderdaad aan landbouw te doen. Niet voor grote tuinen van grootgrondbezitters, niet voor weiden voor particulieren die rijk genoeg zijn om paarden te houden. Dat zijn stuk voor stuk grotere bedreigingen voor de landbouwsector . En de landbouw heeft die grond nodig. Voedsel is een basisbehoefte, die we liefst dicht bij huis kunnen invullen.
Deze week hadden fractieleidster Gerda Schotte en ikzelf een interview met de Krant van West-Vlaanderen over ons eerste jaar in de provincieraad. De kop die door de redactie gekozen werd, luidde ‘De open ruimte, daar willen we voor vechten’. Ik was er best tevreden mee. En had meteen inspiratie voor het blogstukje dat je zojuist gelezen hebt.

Advertenties

73.746,91 euro verplaatsings-vergoedingen, dat moet je verdienen, elke dag

Provincieraad januari 2013. Zoals traditioneel bij het begin van de legislatuur wordt het huishoudelijk reglement eens onder de loep genomen.
Als nieuwelingen zijn we nog weinig vertrouwd met de finesses van alle afspraken, maar er vallen ons een aantal zaken op rond het toekennen van verplaatsingsvergoedingen. Hierin is sprake van de wagen en openbaar vervoer, maar niet van de fiets. Het voorzien van een fietsvergoeding is dan ook een vraag van Groen. Voor het openbaar vervoer wordt een ticket 1e klasse terugbetaald, wat voor ons helemaal niet nodig is.
Eigenaardig genoeg is het antwoord van de meerderheid op deze verzuchtingen om ‘wagen’ te vervangen door ‘voertuig’. Kom je met de fiets, dan krijg je dezelfde vergoeding als voor een autorit. Je moet wel minstens op 5 km afstand van Boeverbos moet wonen voor je een vergoeding kan krijgen. Gerda woont bvb. te dichtbij. De 1e klasse bij het openbaar vervoer wijzigt niet.
Op de provincieraad maken we nog eens ons punt en voer ik een hevige discussie over het automatisme waarmee verplaatsingsvergoedingen worden toegekend, gerekend van thuis tot het provinciegebouw. Provincieraadsleden die bvb. van hun werk komen, wat een stuk dichter kan zijn, daar houdt men geen rekening mee. Iemand met een bedrijfswagen, krijgt evengoed dezelfde vergoeding. Alle argumenten worden van tafel geveegd: dat bedrijfswagens via de fiscaliteit geregeld worden, is het antwoord, en dat provincieraadsleden groot genoeg zijn om zelf spontaan aan te geven wanneer ze geen verplaatsingsvergoeding moeten krijgen, en dat het meer administratie zou vragen om dat allemaal bij te houden dan dat het zou opbrengen.
(Als ik even later met een aantal medewerkers van de provincie praat dan blijkt dat de vele honderden personeelsleden wel het nodige papierwerk moeten doen om een dienstverplaatsing terug te krijgen of hun fietsvergoeding uitbetaald te krijgen, maar voor de 66 provincieraadsleden zou dat teveel moeite zijn…)
Uiteraard wordt onze commentaar weggestemd, maar ik heb al een ideetje. 1 jaar later kan ik dit in de praktijk brengen. In januari 2014 vroeg ik schriftelijk hoeveel de totale kost is voor de verplaatsingsvergoedingen in 2013 en hoeveel provincieraadsleden minstens 1 keer helemaal of gedeeltelijk geen verplaatsingsvergoeding opvroegen.
Zelf heb ik dat uiteraard bijgehouden en consequent doorgegeven als ik zelf geen verplaatsingskosten maakte. Doordat ik voor iets anders in Brugge moest zijn, mee kon rijden met Alex of een andere (niet-groene) collega of 2 opeenvolgende vergaderingen had.
Het antwoord is enigszins voorspelbaar, maar toch onthutsend: “U bent de enige van de raadsleden die in 2013 voor één of meerdere vergaderingen heeft opgegeven om geen of minder verplaatsingsvergoedingen te krijgen.” Wat dit aan de provincie kost, vind je in de titel van dit artikel.
Ofwel gebeurt het dus nooit dat een ander provincieraadslid carpoolt, zich eens laat afzetten door een chauffeur (er zijn schepenen die daarvan gebruik kunnen maken bvb.), dit combineert met een andere verplaatsing,… ofwel schort er toch iets aan de neiging van mijn collega-provincieraadsleden om de vergoedingen voor verplaatsingen die ze eigenlijk niet maken heel spontaan door te geven.
Dringend nood aan een campagne om carpoolen te stimuleren en verplaatsingsvergoedingen niet meer automatisch toe te kennen, als je ’t mij vraagt.