Kandidaat voor nationaal partijbestuur

Na 14 jaar actief te zijn in de partij, waarvan 10 jaar vooral op provinciaal niveau, kriebelt het om nauwer betrokken te zijn bij de nationale koers van onze partij. We gaan een uitdagende periode tegemoet, waarin we weerwerk moeten bieden tegen een rechtse regering, maar ook en vooral concreet maken hoe het volgens Groen wél anders kan! Door deze kandidatuur voor het nationaal partijbestuur hoop ik een stap verder te kunnen zetten in mijn politiek engagement.

Mijn troeven om jullie in Brussel te vertegenwoordigen:
• Breed netwerk
Door de verschillende functies die ik al opnam ken ik de partij grondig en heb ik er een breed netwerk, vooral in West-Vlaanderen maar ook daarbuiten. Een goed contact met veel partijgenoten, zeker in de eigen provincie, is belangrijk om wat leeft bij de basis op een goede manier over te brengen in de nationale partijorganen.

• Communicatief
In de verschillende engagementen die ik al aangepakt heb, vind ik het steeds belangrijk om ervoor te zorgen dat mensen weten wat ik daar doe. Er moet een wisselwerking zijn tussen een vertegenwoordiger of mandataris en de basis van de partij. Met het communicatiebeleid van de provincieraadsfractie, wat mijn initiatief en taak binnen de fractie is, wordt dit treffend geïllustreerd. Hetzelfde wil ik doen voor mijn engagement in het nationaal partijbestuur.

• Inhoudelijke bagage
Op vlak van milieu en natuur, mijn actieterrein op het werk en in mijn vrije tijd, heb ik mijn sporen verdiend. Het is één van de bestaansredenen van onze partij. De laatste jaren zijn we er (gelukkig) in geslaagd om de thema’s waar groen mee geassocieerd wordt, te verbreden, maar milieu en natuur is een kernthema dat zeker niet mag verwaarloosd worden. Het moet volgens mij de ambitie zijn om dit opnieuw sterker op de agenda te zetten, een ambitie die ik mee wil uitwerken en bewaken.

• Provincieraadslid
De provincieraad is zowel binnen de partij als in de media niet het meest zichtbare niveau. In West-Vlaanderen had de fractie, onder mijn impuls, de ambitie om daar iets aan te doen. Met een actieve perswerking en organiseren van diverse initiatieven slagen we er in om regelmatig in de media te komen. Op die manier rendeert ons mandaat ook beter voor de partij. Een van mijn ambities in het nationaal PB zou zijn om dit model ook in de andere provincies te introduceren en de wisselwerking tussen provincieraadsleden en de partij te versterken.

• Nationale ervaring
Ik deed reeds ervaring op in de partij op het nationaal niveau via de politieke raad (2010-2012), het overleg dat bestaat tussen nationaal en de provincies, via de werkgroep campagne in 2009, werkgroep statutair congres in 2011. Bij deze gelegenheden heb ik reeds bewezen dat ik kan wegen op de nationale besluitvorming.
Ik hoop dat ik de gelegenheid krijg om de komende jaar deze troeven te kunnen tonen en jullie op een waardige manier te vertegenwoordigen in het nationaal partijbestuur.

CV partij
– 2001-2003: partijsecretaris Kuurne
– 2003-2004: politiek secretaris regio Kortrijk-Roeselare-Tielt
– 2004-2006: partijsecretaris West-Vlaanderen
– 2005-2007: voorzitter West-Vlaanderen
– 2007-2010: lid arbitragecollege
– 2009: lid werkgroep campagne nationaal
– 2010-2012: vertegenwoordiger politieke raad (en van daaruit ook lid PPB)
– 2012-heden: provincieraadslid
– Campagneleider in 2000 Kuurne, 2012 Wevelgem, 2004-2006-2007-2012 West-Vlaanderen
– Kandidaat 2000 8e plaats Kuurne, 2004 4e plaats Vlaams Parlement, 2006 lijstduwer provincieraad, 2007 5e plaats Kamer, 2009 5e plaats Europees parlement, 2010 4e plaats Kamer, 2012 lijsttrekker provincieraad 2012, 2014 1e opvolger Vlaams parlement

CV professioneel
– 1996-2000: studies chemie + specialisatiejaar milieuwetenschappen UGent
– 2001-2005: milieudeskundige gemeente Wevelgem
– 2005-heden: diensthoofd milieu

CV engagementen
– Vanaf 1992: actief lid lokale natuurverenigingen
– 1995-1999: leider chiro Kuurne
– 2007-heden: bestuurslid Natuur.koepel Zuid-West-Vlaanderen
– 2008-2012: bestuurslid West-Vlaamse Milieufederatie (ontslag wegens kandidaat-provincieraadslid)

Advertenties

Actualiteitsdebat overstromingen: ‘goed waterbeheer is vooral zorgen dat geen bufferbekkens nodig zijn’

Beste collega’s,

Elk jaar zijn er vaste items die een kortstondig de media overspoelen. Bij de eerste vorstperiode is dat steevast het plaatstekort voor winteropvang. Elke zomer staat wel ergens de kranten vol over mensen die met hun voeten in het water staan. De uitdaging is om de aandacht voor deze problematiek ook nadat het water weggetrokken is, levendig te houden en er consequent naar te handelen. En daar moeten we vaststellen dat er nog heel wat werk aan de winkel is.

De provincie is na de overname van de waterlopen 3e categorie een heel belangrijke waterbeheerder geworden. Dat biedt zeker een pak kansen: kansen om de waterketen op een meer integrale manier te bekijken, om grensoverschrijdend te denken, om wat meer eisen te stellen aan verkavelaars dan lokale besturen durven doen bijvoorbeeld. Maar er zijn ook risico’s aan verbonden. De provincie zag in deze rol als waterbeheerder een mogelijkheid om zijn eigen bestaansreden op te krikken en de gemeenten – in besparingsmodus – zijn uiteraard gretig op het aanbod ingegaan. De keerzijde van de medaille is: als er wateroverlast voorkomt, zal de zwarte piet ook een stuk sneller naar de provincie toegeschoven worden. Denk maar aan de beruchte sleutel of zwengel van het bufferbekken in Ardooie die vermist was, in de eerste mediaberichten was het ook al de schuld van de provincie. Het gevaar bestaat dat lokale beleidsverantwoordelijken wateroverlast zien als een probleem dat de provincie maar moet oplossen. Wie de politiek de laatste jaren volgt zal nog wel voorbeelden kunnen noemen van overheidsniveaus die beter zijn in het in elkaars schoenen schuiven van problemen dan in het efficiënt aanpakken ervan. Maar de lokale besturen hebben een sleutelrol in het aanpakken van het probleem aan de bron.

Dat ze dat niet altijd realiseren, wil ik graag illustreren met een heel recent voorbeeld. Ik hoorde van een gemeente waar een aannemer die wegenwerken uitvoert in opdracht van de gemeente zijn grondoverschotten ‘stapelt’ in een afgelegen weide. Na enkele dagen is de berg geen berg meer, maar is de weide een stuk hoger geworden. De lokale bevoegde schepen ziet er geen graten in om positief te staan tegenover een regularisatievergunning voor deze illegale ophoging. Met wat we vandaag weten over waterproblematiek is dit onbegrijpelijk, kortzichtig en onverantwoord, maar het gebeurt dus nog steeds! En let op, het was geen gemeente waar wateroverlast ver-van-mijn-bed is, maar eentje die nota bene voorkomt in het rapport van de dienst waterlopen over de recente wateroverlast van juli.

Zoals dikwijls is de aanpak aan de bron veruit de goedkoopste en efficiëntste aanpak. Bij elke bouwvergunning, elke terras of oprit, elke ophoging, iedere ingebuisde gracht, elk erosieprobleem, … is er een effect op het waterbeheer. Allemaal afzonderlijk bekeken lijken dit peanuts, maar vele kleintjes maken één groot. Vlaanderen wordt nog steeds in een snel tempo volgebouwd, de verharding van de bodem zowel door asfalt en beton als door de intensifiëring van de landbouw is de oorzaak van zowel overstromingen als van de verdroging van het grondwater. Bufferbekkens installeren, maar tegelijkertijd niets doen aan de oorzaak van het probleem, is misschien goed om regelmatig in de krant te komen, maar is dweilen met de kraan open en vormt geen efficiënte besteding van de schaarse overheidsmiddelen.

De historische fouten zijn bekend: bouwen in overstromingsgebied, denken dat men watersystemen ongestraft kan inbetonneren, gemengde rioolstelsels, lokale problemen oplossen door een snelle afvoer, waardoor stroomafwaarts nieuwe problemen ontstaat, schaalvergroting in de landbouw met steeds zwaardere machines, andere teelten en verdwijnen van allerhande kleine landschapselementen die het water ophouden.
Niet allemaal de schuld van de provincie, natuurlijk, maar we moeten wel leren uit deze fouten uit de geschiedenis. Ik zie daarin zowel positieve als negatieve punten.
Positief is:
– Er toch een evolutie in het denken zit naar een integrale benadering. De nota’s rond wateroverlast die zo’n 10 jaar geleden gemaakt werden en deze van vandaag zijn toch verschillend van opvatting. Bufferbekkens worden inderdaad maar als 1 mogelijk element gezien in de totaalaanpak van een waterloop, waarbij maximaal gebruik moet gemaakt worden van meandering en natuurlijke overstromingsgebieden.
– Dat de provincie van zijn rol van adviesverlener gebruik maakt om strikte eisen op te leggen aan verkavelaars en projectontwikkelaars. Bijvoorbeeld de eis om te werken met open buffers en geen moeilijk controleerbare ondergrondse constructies als ‘buffer in de riolering’ is een terechte keuze die de gemeentes lang niet altijd durven maken.
Maar er zijn zeker nog verbeterpunten:
– Infiltratie krijgt nog lang niet het belang in waterbeheer dat het verdient. De strengere Vlaamse verordening die vanaf begin dit jaar van kracht is, legt hier sterk de nadruk op. De kaart die de provincie opmaakte om te bepalen waar infiltratie al dan niet mogelijk zou zijn en gebruikt wordt door de provincie en gemeentes om af te wijken van de verplichting tot infiltratie, catalogeert een heel groot deel van het grondgebied als niet te infiltreren. Dat is een foute strategie, omdat de aansporing voor infiltratie wegvalt. Net zoals in vele thema’s is ook voor omgaan met water een mentaliteitswijziging nodig. Mensen moeten het normaal gaan vinden om water niet direct onder de grond te stoppen. Met wat creativiteit is het zeker mogelijk om veel meer water dan vandaag ter plaatse te verwerken en hoe dichter bij de bron we beginnen hoe beter.
– Ook de linken tussen waterbeheer en natuur worden nog lang niet maximaal ingezet. En die link is er in beide richtingen. Natuurgebieden zijn meestal gebaat bij natte omstandigheden en kunnen ingezet worden om water vast te houden. Natuurverbindingen realiseren – al jaren een ondergewaardeerde taakstelling van de provincies – langs waterlopen kan zowel een meerwaarde voor de natuur als voor het watersysteem betekenen. En als er dan toch een bufferbekken moet gebouwd worden, laat ons dan de vraag stellen hoe we daar zoveel mogelijk natuurwaarde kunnen creëren, in plaats van vooral naar waterbevoorrading voor de landbouw te kijken.
De klimaatverandering die voor de deur staat, zal de gevolgen van zomerse regenbuien alleen maar groter maken. Meneer De Bethune gaat er prat op dat efficiënt lobbywerk ervoor gezorgd heeft dat we straks Europese subsidies kunnen krijgen voor onze bufferbekkens. Ik hoop dat de ambitie om iets te doen aan de oorzaak van het klimaatprobleem even groot is, maar tot nu toe hebben we dat nog niet direct kunnen ervaren.

Ik hoop dat de provincie een belangrijke taak kan spelen in het voorkomen van wateroverlast, maar ik hoop vooral dat dit betekent dat ze zal inzetten op ervoor zorgen dat het niet nodig is om bufferbekkens te graven.

Gelukkige verjaardag!

Op 2 april, exact 5 maanden geleden, was het Bernts zesde verjaardag. Het viel netjes op een woensdag, dus ideaal om zijn verjaardagsfeestje de dag zelf te houden. Door de verkiezingsdrukte kwam ik er niet toe om dit blogstukje op papier te zetten, maar ik vind dat ik het toch nog moet doen. Hij mocht kiezen welke vriendjes hij uitnodigde. Het werden Emmanuel, Ewout, Fran, Lemma, Mateo, Mohmad, Siemen en Quanna.

Het was een divers gezelschap, jongens en meisjes (nu nog ), autochtoon en allochtoon (vergeef mij het woord) dat zich de hele namiddag rot geamuseerd heeft. Sinds de nieuwe rij sociale woningen naast de school bewoond worden, zijn er wel wat kinderen van andere origine in de wijkschool waar Bernt en Roan gaan bijgekomen. Ik vind het eigenlijk wel OK. Bernt stelt er zich geen vragen bij. En zo hoort het ook. Of een vriendje van de klas nu wit, bruin of zwart is, Mohmad, Lemma of Bernt heet, dat maakt ook niet uit.
Dat een concentratieschool de nodige problemen geeft, daar kan ik inkomen. Ik hoor verhalen van de vrouw van mijn pa die directrice is in een concentratieschool in het Brusselse, waar onderwijs verzorgen verre van eenvoudig is. Maar daar zijn we nog lang niet en Wevelgem zal wellicht nooit een wereldstad worden zoals Brussel er een is.

Maar niet iedereen deelt blijkbaar mijn mening. Mijn Wevelgemse medekandidaat bij de voorbije verkiezingen woont aan de achterzijde van de rij sociale woningen. Van hem hoorde ik dat sommige kinderen in hun straat krijgen een verbod om met de allochtone achterburen te gaan spelen. Hoe gaan die kinderen later in het leven staan als ze al van jongsaf dit soort vooroordelen ingeprent krijgen, vraag ik mij af? De wereld is een dorp geworden, en we profiteren allemaal van de voordelen die dat heeft. Maar de wereld die naar het dorp komt, dat is een ander paar mouwen.

Geef mij dan maar van jongsaf wat diversiteit. Hoewel je er soms wat meer moet voor over hebben en je kunnen inleven in een situatie die niet die van een klassiek autochtoon tweeverdienersgezin is. Zo haalde ik Bernts Tsjetsjeense vriendje thuis op, omdat de ouders via de juf lieten weten dat ze de Woopahoo niet wisten zijn. Een van de reacties die ik daarop kreeg, was ‘Ze kunnen van Tjetjenië naar hier komen maar ze kunnen wel niet in de Woopahoo geraken’. Toen ik de vraag stelde of die ouders wel een auto zouden hebben: ‘daar heb ik niet bij stilgestaan’, was het antwoord. Maar die jongen was uitgedost alsof hij naar een chique feest moest en stond aan de deur met een glimlach van oor tot oor, terwijl hij anders het feestje had moeten missen.

Voor zoveel kindervreugde wil ik nog 10 keer omrijden!