Stop welke waanzin?

Vandaag wordt Gent-Wevelgem gereden. Normaal is dat de enige dag per jaar dat ik naar de koers ga kijken. En ook de boerenbond vindt blijkbaar dat dit een van de belangrijkste koersen van het jaar is. Naast de Ronde van Vlaanderen wordt Gent-Wevelgem aangegrepen om de affichecampagne ‘Stop de waanzin! Boeren eisen een volwaardige toekomst’ te lanceren.

Met de slogan kan ik volmondig akkoord gaan. Er is veel waanzin in het huidige landbouwbeleid en we moeten dringend een andere richting inslaan. Boeren verdienen een volwaardige en duurzame toekomst. Ons platteland en landschap zijn afhankelijk van mensen die de zware boerenstiel met hart en ziel uitvoeren. Voedselproductie moet bij voorkeur lokaal gebeuren en in het verstedelijkte Vlaanderen wonen de producent en consument vlakbij elkaar. Laat ons dat inderdaad koesteren.

Maar de Boerenbond schuift wel de schuld in de verkeerde schoenen. Een wandelende boom die een boerderij onder de voeten loopt, staat symbool voor ‘de vergroeningspolitiek’. Eerder verschenen ook al minder diplomatische slogans over ‘groene ambtenarij’, waar ik mij natuurlijk door aangesproken voel. ‘Groen’ staat hier niet alleen voor de politieke partij, alle natuurjongens (en meisjes) worden over dezelfde kam geschoren. De politieke linken zullen er allicht voor zorgen dat de Boerenbond niet schiet op de beleidsverantwoordelijken zelf. Want laat ons niet vergeten dat het de CD&V is die de afgelopen 10 jaar de minister van Landbouw geleverd heeft.

De aanleiding van het landbouwprotest is de aanpak van de zogenoemde ‘Programmatorische Aanpak Stikstof’ en de ‘instandhoudingsdoelstellingen’. Omdat onze natuur zo sterk onder druk staat, moet Vlaanderen van Europa doelstellingen formuleren om bepaalde soorten en gebieden op peil te houden. De te hoge stikstofuitstoot, waarvan de landbouw de voornaamste bron is, heeft een grote impact op kwetbare natuur. Nadat het beleid jarenlang de kop in het zand gestoken heeft rond dit probleem, komt minister Schauvliege nu op de proppen met ‘zoekzones’ waar landbouwbedrijven hun uitstoot heel sterk moeten beperken of waar ze zelfs niet meer kunnen vergund worden (de zogenaamde oranje of rode bedrijven). Omdat ze voor een te grote vermesting zorgen van een natuurgebied in de omgeving. Ik ben het met de boeren eens dat dit een bijzonder slechte, ja zelfs waanzinnige aanpak is.

En het zorgt ook voor heel onlogische situaties. In het volgende Huis-aan-huisblad van Groen West-Vlaanderen wijden we er met de provincieraadsfractie een artikel aan. Renaat Devreese, een geitenboer uit De Haan, komt erin aan bod. Terwijl zijn bedrijf een voorbeeld is van hoe je natuur en landbouw kunt verzoenen, kreeg hij ook een oranje brief. De situatie zou beter geweest zijn mocht hij een industrieel varkensbedrijf zijn. Dan zet je een filter op de schoorsteen en klaar is kees.

Maar door die slechte aanpak en de terechte kritiek daarop mogen we niet vergeten dat het beschermen van de weinige natuur die we nog hebben in Vlaanderen heel hard nodig is. En dat er dus naar manieren moet gezocht worden om landbouw én natuur een toekomst te geven. Niet boeren betalen om op te hoepelen, maar hen steunen om ecologischer te werken.

Want het echte probleem van de boeren in Vlaanderen ligt niet in het spanningsveld tussen natuur en landbouw. De echte problemen zijn de steeds groter wordende industrialisering, de ongebreidelde uitbreidingsdrang, de keuze van het beleid voor export, de onrechtvaardige prijzen die landbouwers voor hun producten krijgen en het gebruik van agrarisch gebied voor heel andere bestemmingen. Dààr zit de waanzin.

Want wie kan begrijpen dat het beleid nog steeds inzet op meer varkens terwijl de varkensboeren met verlies draaien en de investeringen nodig om uitbreidingen te doen te zwaar wegen? Hoe kan je verdedigen dat nog meer het goede antwoord is op de lage prijzen op de wereldmarkt? Het is dat beleid dat ervoor zorgt dat in West-Vlaanderen 50% van de varkensboeren ondertussen in loondienst zijn van een veevoederbedrijf en hun onafhankelijkheid en trots moesten opgeven.

Wie kan begrijpen dat veestapels onbeperkt mogen uitbreiden terwijl we geen blijf weten met de mest? Die moet bij uitbreiding wel verwerkt worden, maar de voedingsstoffen zijn daarmee niet weg, en voldoende afzet vinden ook voor die verwerkte mest is niet eenvoudig. De soja die het meest gebruikte voedergewas is, komt van ver buiten Europa en het meeste vlees dient voor de export. De mest en de bijhorende milieudruk is het enige dat hier blijft.

Wie kan begrijpen dat men in een regio waar grond schaars is, arbeid duur, men toch wil concurreren met monoculturen die veel goedkoper elders in de wereld geproduceerd kunnen worden?

Wie kan begrijpen dat een vierkante meter landbouwgrond die een natuurbestemming krijgt bron van massaal protest is, terwijl bijkomende industriezone of woongebied geruisloos passeert? Dan komt natuurlijk de aap uit de mouw: het gaat niet om de grond, maar wel om geld. Menselijk te begrijpen, maar terwijl natuur de zwarte piet toegeschoven krijgt, verdwijnt er evenveel grond naar wonen, industrie en rijke particulieren die een stulpje met veel grond erbij aanschaffen op het platteland.

Wie kan begrijpen dat dieren zoveel (preventief) antibiotica toegediend krijgen, dat door resistentie de menselijke gezondheid in gevaar komt?

Landbouwlobby’s die dat model van steeds groter, steeds meer dieren, steeds meer mechanisatie, steeds meer meststoffen, steeds meer pesticiden,… verdedigen, bewijzen de boeren geen dienst. De Boerenbond kan zelf de hand in eigen boezem steken.

Groen pleit voor een ander model. De groene minister Vera Dua liet destijds individuele bedrijven groeien terwijl het globale aantal dieren naar beneden ging. Met een warme sanering konden boeren op vrijwillige basis hun activiteiten aanpassen. Zowat alle milieustatistieken in de landbouwsector gingen de goede richting uit, terwijl de boer de nodige kansen kreeg om zijn bedrijf uit te bouwen. Dat duurde tot de CD&V opnieuw landbouw in handen kreeg en de resultaten van dit beleid teniet deed.

Gelukkig zijn er ook boeren die het anders doen. Ze kiezen voor biolandbouw, voor directe verkoop aan de consument, voor maken van afgewerkte producten op de boerderij, voor zelfplukformules, voor bijzondere gewassen of specifieke rassen voor restaurants, voor beheer van natuurgebieden,… Het verstedelijkte Vlaanderen is daar bijzonder voor geschikt.

Nadat de zoekzones wél ordentelijk zijn afgebakend, zodat niet onnodig onrust hoeft gestookt te worden, nadat de doelstellingen beter zijn afgelijnd, nadat de onlogische zaken er uitgehaald zijn (want vandaag krijgen zelfs biobedrijven een rode of oranje kaart) kan dat een deel van de oplossing zijn. Mochten alle landbouwsubsidies die vandaag naar uitbreiding van intensieve veeteelt gaan, gebruikt worden om de boerderijen die dichtbij natuurgebied liggen en voor natuur een te hoge uitstoot geven, er zouden al heel wat landbouwers niet meer voor de toekomst moeten vrezen. En combineer dat beleid met een globale beperking van de stikstofuitstoot, zodat niet alleen de boeren die toevallig dicht bij een natuurgebied liggen de dupe zijn.

Geef natuur een plaats binnen de landbouw, en landbouw een plaats bij beheer van natuur en landschap. Dat geeft veel meer garanties op een duurzame toekomst dan beiden als vijand van elkaar te zien!

Advertenties

2 maanden partijbestuur

Vandaag ben ik exact 2 maanden lid van het nationaal partijbestuur van Groen. ‘Hoe stel je het in het partijbestuur?’ is dan ook een vraag die ik regelmatig te horen krijg. Van mensen binnen én buiten Groen.

Geheel in de lijn van de West-Vlaamse provinciale campagne “Oe ist?” wil ik er mij dan ook niet zomaar afmaken met gewoon ‘goed’ te antwoorden. Al kan ik ook niet uitgebreid op de inhoud ingaan, want wat besproken wordt op het partijbestuur moet met enige vertrouwelijkheid behandeld worden. Terwijl ik iemand ben die er een punt van maakt dat geïnteresseerden ook mogen en moeten weten wat ik uitspook in de mandaten waarvoor ik verkozen. Daar ging mijn plan om af en toe een blogstukje te plegen over mijn werkzaamheden in Brussel. Op zoek dan maar naar alternatieven om wat wisselwerking te organiseren met de achterban. Want dat die er moet zijn, en dat dit meer moet  zijn dan eens 5 min op een regiovergadering of in je eigen lokale groep, daar ben ik heilig van overtuigd. Wie interesse heeft: hou vanaf nu op zondagavond mijn facebook in de gaten.

Ik kan wel wat zeggen over wat zo’n vergadering inhoudt. Het partijbestuur start in beperkte groep met de gesloten zitting. Dat gaat dan over dossiers waar personen mee te maken hebben. De aanstelling van een nieuwe gemeenschapssenator in vervanging van Wouter Vanbesien is een recent voorbeeld.

De lengte van dit gesloten deel varieert van week tot week, daarna vervoegen een hele groep parlementairen, andere mandatarissen en medewerkers de zitting. Het is een hele uitdaging voor de voorzitter om deze uitgebreide groep in goede banen te leiden, iedereen zijn inbreng te laten doen en toch de agenda te respecteren (want 12u30 is de uiterste limiet). Dat laatste lukt dan ook regelmatig niet.

Het is in elk geval erg boeiend. Hoewel er uiteraard nog andere belangrijke overlegstructuren zijn waarop vanalles vorm krijgt, zit je toch mee in de cockpit van de partij. Mee je zeg hebben over pakweg wat de voorzitster zal aankaarten op haar nieuwjaarsspeech in plaats van te moeten afwachten tot het moment daar is, zelf dossiers mee op de agenda zetten, het heeft wel iets.

Variatie is er ook genoeg: de agenda gaat over inhoudelijke dossiers, over partijwerking en elke week komt de aan te pakken actualiteit van de komende (of voorbije) week aan bod. De partijwerking geniet mijn speciale aandacht: Zonder inhoud geen politiek, maar zonder goede partij-organisatie geen sterke partij. Al op het eerste PB waar ik aanwezig was stonden ook de provincieraadsleden in een nota vermeld. Het zal wel toeval geweest zijn, maar mijn aanwezigheid zal in elk geval het risico verkleinen dat de partij de provincieraadsleden over het hoofd ziet.

In elk geval ervaar ik dat Groen een partij is waar de vrijwilligers inderdaad een duidelijke stem hebben. Er wordt naar ons geluisterd (anders zou ik niet bij Groen zijn, wellicht). De eerste vergaderingen is het wat zoeken hoe dit allemaal werkt, welke manieren bestaan om een inbreng te kunnen doen, welke bevoegdheden juist waar zitten, wie met welke thema’s bezig is,… maar ik werk mij snel in. Deze week stond alvast een eerste nota van mijn hand op de agenda (maar werd wegens bovenvermeld timingprobleem verschoven naar volgende week). Kortom, ik heb mij al snel laten horen in Brussel en zoek creatief naar manieren om mijn ei te leggen. Jullie hadden van mij wellicht niet anders verwacht :-).