Wetgeving kathedrale kerkfabriek op de korrel

Over de financiering van de verschillende geloofsgemeenschappen zou je in deze steeds meer seculiere maatschappij een grote boom kunnen opzetten. Het is uiteraard niet de bedoeling om dat hier (= in de provincieraad, nvdr) te doen.

In deze motie gaat het over een heel klein boompje over een onderdeel van de wetgeving dat eigenlijk onlogisch is en een concrete impact heeft op de provincie: het beheer van het privaat patrimonium (spaargeld en vastgoed) van de kathedrale kerkfabriek. De aankoop van 2 nieuwbouw appartementen in een budgetwijziging van de kerkfabriek die hier vorig jaar aan bod kwam, was voor mij een knipperlicht om mij toch eens in de wetgeving te verdiepen.

En ik lever hiermee bewust geen commentaar over het beheer dat vandaag door de kerkfabriek gehanteerd of over de manier waarop de provincie dit benadert. Beiden vervullen hun wettelijke taak, alleen lijkt mij dit wettelijk kader aan een actualisatie toe.

Die wetgeving zegt, heel summier samengevat, dat de provincie alle tekorten van de kathedrale kerkfabriek moet bijpassen, ook voor het gebouw moet zorgen (ter herinnering: de provincie past jaarlijks meer dan 220.000 euro bij voor de werking van de kerkfabriek, en er zijn in deze legislatuur al ruim 6 miljoen investeringen in de kathedraal goedgekeurd), maar niets te zeggen heeft over het beheer van het privaat patrimonium van deze kerkfabriek. Die moet bovendien haar centen en gebouwen beheren met maar 1 doel: een zo groot mogelijk opbrengst.

De gebruiken zijn gelukkig anders, maar als dit letterlijk geïnterpreteerd wordt, zou dit betekenen dat een kerkfabriek moet investeren in de wapenindustrie indien dat de belegging is die het hoogste jaarlijks rendement oplevert, of hun panden opsplitsen in zo klein mogelijke woongelegenheden als een soort huisjesmelker om zoveel mogelijk huur op te strijken.

Groen stelt zich de vraag of deze taak van een kathedraal (en ook lokaal) kerkbestuur als een soort vastgoedmakelaar die zijn patrimonium beheerd niet aan een actualisatie toe is en de mogelijkheden van de subsidiërende overheid om afspraken te maken rond de inzet van de private roerende en onroerende goederen niet moeten verruimd worden. Een investering in een gebouw van de eredienst is niet per definitie onrendabel. Het kan bijvoorbeeld gaan over investeringen die gericht zijn op energiebesparing. Een dergelijke investering kan de exploitatiekosten van het gebouw ten goede komen en zo misschien een betere investering zijn dan de aankoop en verhuur van een appartement. En we vragen ook dat er wél ethische criteria voor het beheer van centen en gebouwen in de wetgeving opgenomen worden.

Het bestaan van artikel 70 in het bewuste decreet werd in het bureau gebruikt als een argument om deze motie als overbodig te beschouwen. Artikel 70 zegt echter enkel dat er een overleg moet zijn tussen kerkbestuur en provincie. Dat garandeert dus enkel dat de provincie niet verrast kan zijn als het budget van de kerkfabriek hier in de brievenbus belandt. Maar dat garandeert helemaal niet dat er een akkoord is, en nog veel minder dat de provincie iets te zeggen heeft over het privaat patrimonium. Ter illustratie: van het verslag van 11 juni 2014 werd geen verslag gemaakt. Reden: de documenten werden niet vooraf bezorgd, het overleg kon dus niet voorbereid worden, en de documenten werden enkel in ontvangst genomen. Wettelijk alles in orde, want er is overleg geweest…

In tegenstelling tot de lokale besturen, waarvoor in het decreet expliciet gesteld wordt dat er via het centraal kerkbestuur andere afspraken kunnen gemaakt worden, onder andere over dit punt, heeft de provincie geen enkel instrument om zich in het beheer hiervan te mengen.

Voor de mensen die zich naar aanleiding van deze motie haasten om te beweren dat de provincie toch genoeg manieren heeft om een vinger in de pap te hebben bij het beheer van de financiën van de kerkfabriek, verwijs ik graag naar een citaat uit de bespreking van een wijziging van het meerjarenplan van de kerkfabriek in commissievergadering van 16 september 2014: “Bart Naeyaert beklemtoont dat de provincie geen zeg heeft over het privaat patrimonium van de kerkfabriek en de provincie enkel suggesties kan formuleren”.

Als we even afgaan op de onthoudingen die traditioneel bij dergelijke agendapunten opduiken (en die weliswaar kunnen wijzigen naargelang partijen in een meerderheids- of een oppositierol zitten) dan zijn wij lang niet de enigen die vraagtekens zetten bij de huidige wettelijke regelingen. Ik hoop dan ook dat we het tenminste aandurven om dit signaal te geven aan de Vlaamse overheid.

Binnenkort mogen de provincies geen eigen personenbelasting meer heffen en zal er een lagere dotatie vanuit Vlaanderen komen. Het zou dan ook logisch zijn dat de provincie binnen die lagere budgetten zoveel mogelijk zijn eigen keuzes kan maken.

 

Voor wie interesse heeft, de tekst van de motie zelf is te verkrijgen via maarten.tavernier@groen.be.

 

Advertenties