Communicatiebeleid van de POM

De POM (Provinciale OntwikkelingsMaatschappij, het provinciaal agentschap dat het economisch beleid uitvoert) heeft naar mij geluisterd. Daarom kan ik hierover geen persbericht schrijven, maar wordt het een blogstukje. Ik had nochtans al een mooie titel in gedachten ‘POM verspilt xx euro (het bedrag stond nog niet vast) aan eigen bekendheid’. Maar het is natuurlijk beter om te kunnen schrijven dat je invloed gehad hebt op het beleid dan te moeten aanklagen in de pers wat verkeerd loopt.

Wat is er aan de hand? Al meer dan een jaar werkt de POM aan doelstellingen (of KPI’s – kritische prestatie-indicatoren – in het kader van hun exponentiële werking, geïnspireerd op de Exponential Academy van de Singularity University in de USA. Maar voor de rest zal ik jullie de hippe managementtaal besparen). Een aantal van die doelstellingen slaan op de eigen bekendheid: de POM wilde oorspronkelijk dat tegen 2020 zowel 30% van de West-Vlaamse ondernemers als van het ruime publiek wist wat de POM was en deed.  Dat was het eerste absurde idee: hetzelfde bereik nastreven bij ondernemers als bij het ruim publiek voor een organisatie die rond economie werkt. Ik pleitte meteen (en kreeg navolging bij NVA) om dé West-Vlaming niet als doelgroep te nemen, maar enkel ondernemers en ondernemingen.

Het provinciebestuur heeft veel ervaring met het promoten van zichzelf. Zo is in het budget 2018 maar liefst 1,3 miljoen euro voorzien voor ‘publiciteit, promotie en voorlichting’, met onder andere een groot bedrag voor aankopen promotionele ruimte, dit wil zeggen advertentieruimte of andere zichtbaarheid aankopen bij grote evenementen puur om zichzelf in de picture te zetten. Daarnaast is dat natuurlijk een methode om bevriende organisaties nog wat subsidies toe te stoppen maar het zo niet te noemen, nu de provincies oa rond sport en cultuur geen bevoegdheden meer zal hebben. Niet toevallig is het bedrag dat hieraan besteedt wordt, de laatste jaren sterk gestegen. Voor Groen is dit de verkeerde prioriteit: een overheid moet geen reclame maken voor zichzelf, maar met inhoud zijn relevantie aantonen. En ondanks het vele geld en middelen dat hierin gestoken wordt, lukt het zelfs voor de provincie niet om goed door te dringen bij de bevolking en de beleidsmakers op andere niveau’s over wat de provincie precies doet.

Dus voor de POM zou dat al helemaal een onmogelijke opdracht worden. Bij de laatste fase, de doelstellingen koppelen aan de budgetten, bleek dat ook. Uit een bevraging bleek dat zelfs bij ondernemers, wat de belangrijkste doelgroep zou moeten zijn van de POM, de bekendheid maar 13% bedraagt. De keuze werd dan ook heel terecht gemaakt om hierop in te zetten voor communicatie en naambekendheid, en niet op het algemene publiek. Maar het zal van de deputé wellicht met tegenzin geweest zijn dat deze doelstelling geschrapt werd, want daarvoor verdedigde hij stevig deze keuze.

Daarna is het tijd voor een tweede punt: de POM is sterk in het uitvinden van allerhande ‘producten’ die dan een afzonderlijke ‘hippe’ naam krijgen. West-deal is het strategisch plan voor economische ontwikkeling van West-Vlaanderen; NV ’t Werkpand biedt de huisvestingsfaciliteiten aan voor (startende) ondernemers, er zijn de Fabrieken voor de Toekomst, TUA West of in het lang de Technische Universitaire Alliantie,… en dan zijn er nog de namen van de vele Europese programma’s. Raak je er nog aan uit? Troost je, ik moet soms ook opzoeken welk project of product nu weer waarover gaat. Als je er niet dagdagelijks mee bezig bent, denk ik dat dit heel complex overkomt. Als de POM naambekendheid moet krijgen, zou het beter zijn om deze naam ook te gebruiken voor al deze producten. Deze commentaar op het communicatiebeleid van de POM werd meteen bevestigd: ‘Meneer Tavernier, u heeft een punt’.

Het is een klein voorbeeld van hoe constructieve, kritische oppositie wel degelijk een impact kan hebben. Zo kan ik alvast zeggen dat ik minstens 125.000 euro heb laten besparen of beschikbaar heb gemaakt voor nuttige doeleinden, want dat is het budget dat uitgetrokken wordt voor het communicatiebeleid naar de doelgroep van ondernemers. Voor een ruim publiek zal het wel niet minder geweest zijn. Mijn persoonlijke bijdrage aan de West-Vlaamse economie.

Advertenties

Geen plaats voor 100 bomen, wel uitbreiding voor bestaande en 70 ha nieuwe industrie

Tussenkomst op de provincieraad van 28 november 2017 over het planologisch attest voor de uitbreiding van de firma Galloo:

Vorige week stond er in de Krant van West-Vlaanderen een triest artikel over Menen: ‘Nergens plaats voor geboortebos’.

Ik vond dat zeer vreemd. De gezinsbond wil graag met de jonge gezinnen bomen planten voor de pasgeboren kinderen, maar dat lukt al enkele jaren op rij niet. Nochtans, blijkbaar is er nog veel ruimte in Menen. Als het is om bijkomende industrie te zoeken, dan wordt er blijkbaar wel plaats gevonden.

Vandaag staat op de agenda een planologisch attest voor een (zoveelste) uitbreiding van het bedrijf Galloo, maar de zoektocht naar een nieuw bedrijventerrein van 70 hectare hangt ook nog boven het hoofd van de inwoners van Menen, Wervik en Wevelgem.

En eigenlijk is dat helemaal niet logisch. Menen is een van de steden in Vlaanderen die de bedenkelijke eer gehad hebben om onderwerp te zijn van een biomonitoringsonderzoek. Van een 200-tal jongeren werd bloed, haar en urine onderzocht op zoek naar vervuilende stoffen en hun impact op de gezondheid. Ik zal jullie de technische details besparen, maar de conclusie van de studie was dat er wel degelijk een negatieve impact was op de gezondheid van de onderzochte jongeren. Het ging onder andere over PAK’s (polyaromatische koolwaterstoffen), verbindingen die algemeen vrijkomen bij verbrandingsprocessen, dus onder andere verwarming en transport. Een bedrijventerrein die geen bijdrage levert aan de uitstoot van deze stoffen bestaat dus niet.

Door het bedrijf Galloo, waar het hier nu over gaat, is er in Menen al vele jaren een voedingsadvies van kracht. En dat stelt dat het voor een groot deel van de stad afgeraden wordt om eieren of groenten van uit de eigen tuin te eten, omwille van de emissies van PCB’s en dioxines. Deze stoffen en hun slechte reputatie kennen jullie, onder andere van de verbrandingsovens. Het is pas na heel wat onderzoek dat er door de case Menen een duidelijk verband gelegd werd tussen de schrootverwerkende industrie en aanwezigheid van dioxines en PCB’s, een link die voorheen niet duidelijk was.

Kortom, het is dus wetenschappelijk bewezen dat de industrie die er vandaag in Menen is, een negatief effect heeft op de gezondheid van de mensen die errond wonen. En wat is het antwoord van het beleid, onder andere van de provincie? juist het tegenovergestelde van wat logisch zou zijn.

In plaats van het bedrijf Galloo in te perken en de milieu-impact te verminderen (en toegegeven, daar zijn ook wat inspanningen voor gedaan, weliswaar onder druk), mogen de activiteiten nog toenemen. Dat er activiteiten in een overdekte loods zouden plaatsvinden, is op zich positief, maar als dit op bijkomende terreinen gebeurt en niet in plaats van de huidige bedrijfsruimte in open lucht, dan zal de milieu-impact niet verminderen.

En in het algemeen over de industrie in Menen: in plaats van de impact op milieu en gezondheid van de aanwezige bedrijven te proberen verminderen, gaat de provincie lustig op zoek naar tientallen hectares om bijkomende industrie te realiseren.

Maar ruimte voor 100 bomen te planten, dat is niet te vinden. Het zal dan ook niet verbazen dat wij niet achter deze uitbreiding kunnen staan en tegen zullen stemmen.

Op bezoek bij het slachthuis van Tielt

Het is al veel te lang geleden dat ik nog eens geblogd heb. Maar een bezoek aan het slachthuis van Tielt, dat in het voorjaar volop in de media kwam na beelden over verregaande dierenmishandeling , is een goede aanleiding om hier nog eens werk van te maken.

Je herinnert je wellicht de beelden: varkens die aan hun oren voortgetrokken werden, al mankend voortgeslagen worden, of onvoldoende verdoofd werden en krijsend gekeeld. Niet voor gevoelige kijkers…

Na enkele weken verplichte sluiting, ging na het goedkeuren van een actieplan het slachthuis weer open. Een deel van de klanten, zoals de grote warenhuizen, zetten de samenwerking met het Tieltse slachthuis stop. Terecht, en een goede zaak, want het toont dat dierenwelzijn niet alleen uit respect voor het dier moet gebeuren, maar ook een economische noodzaak is. De vraag is natuurlijk of de andere slachthuizen waar het vlees uit in de frigo’s van de warenhuizen nu vandaan komt het beter doen. De recente beelden uit het slachthuis van Izegem, deze keer bij runderen, doen vermoeden dat Tielt geen alleenstaand geval is, spijtig genoeg.

Het slachthuis doet er nu alles aan om zijn imago weer op te krikken. Daar hoorde ook een ‘opendeurmaand’ bij. In kleine groepen van 10 personen kregen geïnteresseerden de kans om (een deel van) het slachthuis te bezoeken. Ik was er snel genoeg bij om nog een plaatsje te bemachtigen. Een wereld die ik helemaal niet ken en vrij confronterend is. Het bezoek zelf bestond uit 2/3 theorie en 1/3 rondleiding in het slachtproces. Uiteraard werd alles in het werk gesteld om een goede indruk te maken en alles wat helpt bij het welzijn van het dier, uitgebreid toe te lichten. Van een buurtbewoner vernam ik dat het deze maand opvallend rustig was in het slachthuis, wat doet vermoeden dat de capaciteit bewust beperkt gehouden werd.

Maar inderdaad, de dieren waren eigenlijk opvallend rustig en lieten zich gemakkelijk naar de ‘slachtbank’ leiden. Geen mankementen te bespeuren bij de verdoving en uiteraard uitgebreide controle tijdens het bezoek. Het zou ook verwonderen dat er op zo’n moment een risico gelopen wordt dat er iets misloopt. Dus de vraag of deze situatie representatief is voor een normale bedrijfsvoering, blijft voor mij toch wel een stuk open. Het slachthuis gaat er prat op dat er sinds 2014 heel sterk ingezet wordt op dierenwelzijn. ‘Hoe was het dan voor 2014, als er nu nog zo’n beelden opduiken?’, is de vraag die bij mij dan spontaan opkomt. Een opvallende uitspraak vond ik zelf het gegeven dat men de vloer en wanden van de compartimenten waar de dieren uitrusten voordat ze verder gedreven worden naar de verdoving, zo egaal mogelijk gehouden wordt van kleur: dat werd ‘gelijkend op hun natuurlijke habitat’ genoemd. Met die term bedoelt men dan dat het lijkt op het varkenshok waar die dieren van geboorte tot dood hun leven doorbrengen. Dat vergelijken met natuur lijkt mij even absurd als reclame maken voor een benefietontbijt voor dierenwelzijn via een affiche met worst, spek en eieren… En het illustreert dat het niet zonder reden is dat Groen altijd de nadruk legt op het benaderen van dierenwelzijn over het hele leven van het dier, en niet alleen te kijken naar de laatste uren of minuten.

Achteraf stelde ik aan de woordvoerder van het bedrijf de voor mij cruciale vraag in dit dossier: ‘Als je dag in dag zoveel varkens ziet passeren (momenteel 1,5 miljoen varkens/jaar) is het wel mogelijk om die dieren te zien als een levend wezen en niet als een product?’. Er werd natuurlijk geantwoord dat dit iets is waar men dagdagelijks aan werkt, maar voor Groen is dit de reden waarom wij tegenstander zijn van de geplande uitbreiding van het slachthuis. Het is onbegrijpelijk dat de provincie gewoon overgaat tot de orde van de dag alsof er niets gebeurd is.

Lees hier ons persbericht daarover: http://www.groenwestvlaanderen.be/standpunten/persmededelingenDetail.php?GrArt_ID=484#.WcrJsrpuKGg

Waarom ik een paarse zak wil

Mensen die niet direct thuis zijn in de milieubranche, zullen misschien zich heel andere beelden voor het oog halen, maar lees eerst de tekst hieronder voor ik het risico loop dat je mij in het kruis komt trappen.

Vorige week kwam in de media dat minister Schauvliege de inzameling van plastics wil veralgemenen. Dat is een goede zaak, omdat plastic inderdaad een hoogwaardig en perfect recycleerbaar materiaal is. De huidige klassieke PMD-inzameling beperkt zich met de inzameling van plastic flessen tot de grote en gemakkelijk recycleerbare stromen, goed genoeg om de minimale recyclageresultaten te kunnen behalen.

Er worden momenteel (met te lang studiewerk, naar mijn idee) in proefprojecten een aantal systemen uitgetest. Er zijn varianten op de ‘roze’ zak (wat staat voor een afzonderlijke inzameling van plastics in een aparte zak) en de ‘paarse’ zak (wat staat voor een PMD+-zak of dus een PMD-inzameling waar ook bijkomende plastics in dezelfde zak mogen gedeponeerd worden).

Maar de keuze is volgens mij niet moeilijk. Het grootste probleem met de huidige PMD-inzameling is nu de moeilijke sorteerboodschap. Daardoor blijven na een ophaalronde heel wat zakken staan, die dan achteraf dikwijls (wegens ‘van niemand’) door de stad of gemeente moeten opgehaald worden en zo bij het restafval terecht komen. Ook binnen de wel ingezamelde zakken komen nog veel fouten voor: afvalintercommunales moeten regelmatig campagnes doen om het percentage aan zogenaamd ‘residu’ (wat niet uitgesorteerd kan worden) onder de 15% te houden. Dat probleem dreigen we te vergroten als er nog een nieuwe zak komt, met dus bijkomende sorteerregels en bijkomend risico op zakken die verkeerd gesorteerd in de straat blijven staan. Bovendien betekent een bijkomende zak ook een bijkomende ophaalronde, met huisvuilwagens die alle straten in een gemeente moeten aandoen en zo extra verkeer en extra vervuiling betekenen.

Het scenario met de paarse zak vangt die nadelen op: doordat de ‘P’ in PMD nu staat voor alle Plastics, en niet meer enkel voor Plastic flessen en flacons, worden de sorteerregels veel eenvoudiger en de kans op verkeerd sorteren veel kleiner.

Het is ook gemakkelijk combineerbaar met de noodzakelijke invoering van statiegeld op drankverpakkingen. Deze week was nog in het nieuws dat de hoeveelheid zwerfvuil in 2 jaar tijd nog met 40% gestegen terwijl er een daling zou moeten gerealiseerd worden van 20% tegen 2022. We kunnen het zwerfvuilprobleem enkel structureel indijken door het invoeren van statiegeld op drankverpakkingen en niet door de lapmaatregeltjes van ocharme 10 miljoen euro waar minister Schauvliege nu op rekent. Dat de PMD-inzameling dan niet meer zou haalbaar zijn is een van de tegenargumenten waar de industrie mee schermt. Maar als je tegelijkertijd een deel uit de PMD haalt (de drankverpakkingen) en een ander deel toevoegt (de yoghurtpotjes, botervlootjes, noem maar op…) dan hoeft het volume van de PMD-zak niet zoveel te krimpen (maar de restafvalzak des te meer).

De huidige verwerker slaagt er trouwens in om die verschillende soorten plastic machinaal van elkaar te scheiden, zodat dit ook geen belemmering is. De techniek staat ook op dat vlak niet stil.

Kortom, de paarse zak is duidelijk hét inzamelscenario van de toekomst. Waarop wachten we nog?

Ontwerp-bewaarschrift RUP uitbreiding slachthuis Tielt

Tielt, april 2017

 

Aan de Procoro
Provinciehuis Boeverbos
Koning Leopold III-laan 42
8200 Sint-Andries

 

Betreft: bezwaarschrift PRUP slachthuis Tielt

 

Beste,

 

Ik wens bezwaar in te dienen tegen het ontwerp PRUP voor het slachthuis van Tielt.

Deze uitbreiding is deels voorzien in herbevestigd agrarisch gebied. In deze zone zou de landbouwsector de rechtszekerheid moeten hebben dat dit in de toekomst bestemd blijft voor landbouwactiviteiten. Het is niet aanvaardbaar dat een dergelijke zone ingepalmd wordt voor een industriële activiteit.

Het bedrijf zorgt nu al voor een zware belasting van de omgeving door de grootschaligheid van de activiteit (o.a. geurhinder, geluidshinder, lichtverontreiniging, risico door opslag van grote hoeveelheden gevaarlijke producten, transport,…). Het is niet wenselijk dat hier verdere uitbreidingen worden toegestaan. Een belangrijk element van de overlast voor de omwonenden, het zwaar verkeer via woonstraten, kan aangepakt worden op basis van het planologisch attest. Hierdoor kon de nieuwe toegangsweg naar de Wingensesteenweg vergund en gerealiseerd worden.

De recente vaststellingen van zware dierenmishandeling is een bijkomend argument om de geplande uitbreiding niet toe te laten. De grootschaligheid van een dergelijke activiteit zorgt voor een risico op het behandelen van dieren als een product in plaats van een levend wezen. De gevolgen daarvan konden we vaststellen in de reportage van Animal Rights. Het bijkomend uitbreiden van het bedrijf vergroot dit risico alleen maar. Het inpalmen van agrarisch gebied zou bijzonder cynisch zijn voor een bedrijf dat de varkenssector zo’n schade heeft aangedaan door geen rekening te houden met het dierenwelzijn.

 

Hoogachtend,

(naam, adres, handtekening)

 

Kan ook eenvoudig digitaal verstuurd worden via procoro@west-vlaanderen.be

Houd met ruimtelijke argumenten de uitbreiding van het Tieltse slachthuis tegen

Opiniestuk verschenen op kw.be

Sinds de undercoverreportage van Animal Rights waarop gruwelijke beelden van dierenmishandeling te zien waren, staat het Exportslachthuis Tielt nv in het middelpunt van de belangstelling. De verontwaardiging is –terecht- groot en de reacties massaal. 150.000 mensen tekenden al de petitie van de dierenrechtenorganisatie om het slachthuis te sluiten.

Het toeval wil dat er momenteel een Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (of kortweg RUP) in openbaar onderzoek is om het slachthuis uit te breiden. Het bedrijf heeft de intentie om de capaciteit uit te breiden van 1,5 naar 2,5 miljoen varkens per jaar, een gigantische hoeveelheid. De provincie heeft nog de kans om deze uitbreiding tegen te houden: het plan moet na het openbaar onderzoek definitief vastgesteld worden.

Hoeveel mensen er ook de petitie van de dierenrechtenorganisaties zullen ondertekenen, dat zal weinig impact hebben. Bezwaren die niets met ruimtelijke ordening te maken hebben, betekenen weinig in zo’n openbaar onderzoek.

Laat mij daarom toe een suggestie te doen voor een argument dat wél ruimtelijk is. En dat was meteen de reden waarom Groen, als enige partij, in de provincieraad dit RUP niet goedkeurde. De uitbreiding van het slachthuis gebeurt deels in ‘herbevestigd agrarisch gebied’. Dat is een vakterm voor landbouwzone die door de Vlaamse overheid de voorbije jaren werd bestempeld als blijvend voor de landbouw bedoeld. De landbouwsector zou er dus rechtszekerheid moeten hebben dat dit niet wordt ingepalmd voor andere bestemmingen. Dat is echter buiten de provincie West-Vlaanderen gerekend, die – niet voor het eerst – bedrijven in zo’n gebied toch wil laten uitbreiden.

Tot voor kort kon je misschien nog argumenteren dat een slachthuis een bijdrage levert aan de landbouw door de gekweekte dieren op te kopen. Ik denk echter niet dat de reeds veelgeplaagde varkensboeren vandaag nog vinden dat het bedrijf een positieve bijdrage levert aan hun sector. Groen is geen grote fan van grootschalige industriële veeteelt, maar je zal als landbouwer maar met de beste bedoelingen je dieren grootbrengen, om ze daar dan zo te zien aan hun einde komen…

Het RUP bevat ook een nieuwe ontsluitingsweg voor het bedrijf, dat de mensen van de Hondstraat moet ontlasten van het zware transport. Maar op basis van het afgeleverde planologisch attest is die weg reeds vergund en uitgevoerd. Gelukkig hoeft de buurt daarom op dat vlak niet mee slachtoffer te zijn als het geplande RUP wordt afgeblazen.

Mochten alle West-Vlamingen die een petitie van een dierenrechtenorganisatie tekenden, en mochten alle boeren die nu mee slachtoffer zijn van de wanpraktijken in het slachthuis, mee bezwaar indienen tegen dit slachthuis met dit ruimtelijk argument, vormt dit een krachtig signaal voor het provinciebestuur om de geplande uitbreiding te blokkeren. Er is nog tijd tot 7 april via (onder andere) procoro@west-vlaanderen.be. Doen!

Het verhaal van de provinciale subsidie voor Velt

Op 5 maart was ik te gast op de provinciale algemene vergadering van Velt, omdat mijn politiek werk ervoor gezorgd heeft dat zij een subsidie van 10.000 euro kregen. Ik bracht er de volgende toelichting:

Het komt niet vaak voor dat je als oppositielid in de provincieraad een tastbaar resultaat ziet van je politiek werk. Het gebeurt nog minder dat je daarna uitgenodigd wordt om eens te komen uitleggen hoe dit resultaat bereikt werd. Om het eens uitgebreid over zoiets te hebben, moet ik normaal bloggen (wat ik ook wel zal doen), maar het is veel aangenamer om dit ‘live’ te kunnen doen. Ik ben dus zeer blij met de uitnodiging van vandaag, waarbij ik gevraagd werd om te schetsen hoe de provinciale subsidie voor Velt tot stand gekomen is. Ik heb de historiek opgelijst in 7 stappen.

STAP 1: budgetwijziging 2015

In de 4e budgetwijziging van eind 2015 duikt voor het eerst een bedrag van 10.500 euro nominatieve subsidie op voor Tuinhier (de vroegere Volkstuinen) in de lijst van dergelijke subsidies die in een budget staan. Dat was de aanleiding om vragen te stellen bij het hoe en waarom van deze subsidie, net zoals ik dat al voor andere types subsidie deed (bvb. voor de oudstrijdersverenigingen, die verhuisden van cultuur naar algemeen beleid).

STAP 2: schriftelijke vraag (januari 2016)

Ik vraag naar

–          De reden van deze subsidie in de budgetwijziging

–          De inhoudelijke doelstelling

–          Criteria voor het toekenning van zo’n subsidie

–          Basis voor hoogte van het bedrag

Ik moet lang wachten op antwoord, meer dan 2 maanden (normale antwoordtermijn 1 maand), een goede reden om wantrouwig te worden.

Ik krijg vrij nietszeggende antwoorden

–          Tuinhier krijgt al lang subsidie, vroeger via ander kanaal, nu uit landbouwbudget en onduidelijkheid over waar dit thuishoorde

–          Het is een algemene werkingssubsidie, kaderend in het thema stadslandbouw

–          De hoogte van het bedrag is al lang gelijkaardig

STAP 3: mondelinge vraag (maart 2016)

Ik vraag in het maandelijkse vragenuurtje voor de zitting van de provincieraad aan de bevoegde deputé: als er een andere vereniging die rond hetzelfde thema actief is bij de provincie komt aankloppen, zullen zij ook subsidie krijgen en zo ja, hoe zal het bedrag bepaald worden?

Antwoord: Velt (ze weten uiteraard ook over welke vereniging het kan gaan) krijgt ook al een subsidie van de provincie, maar via een samenwerkingsovereenkomst, misschien is dit te bekijken.

Ik reageer al: de subsidie voor Velt is mij niet bekend, des te beter als dat zo is, maar eigenaardig dat dit niet op dezelfde manier verloopt

STAP 4: nieuwe schriftelijke vraag (mei 2016)

De ervaring leert mij dat het goed is om de antwoorden die je mondeling krijgt te dubbelchecken. Ik vraag dus naar de subsidie die Velt zou krijgen:

–          Via welk subsidiemechanisme verloopt dat en over welk bedrag gaat het?

–          Hoe werd dat bedrag bepaald?

–          Wat is de verklaring voor het verschil tussen Velt en Tuinhier

In het antwoord moet worden toegegeven dat wat geantwoord werd in de vorige stap niet klopt: Velt krijgt geen werkingssubsidie, maar was in het verleden een bevoorrechte partner bij campagnes rond ecologische siertuin, pesticidenreductie, en ecomoestuinteams waarvoor er een samenwerkingsovereenkomst was, die een vergoeding betekende van 8000 euro.

Maar: een vergoeding voor tegenprestatie is geen werkingssubsidie (waarvoor enkel moet aangetoond worden dat het geld gebruikt werd, wat uiteraard niet zo moeilijk is)!

Gelukkig voor Velt ben ik niet te goedgelovig.

STAP 5: interpellatie over beleid nominatieve subsidies (juni 2016)

Ik wil een pleidooi houden voor objectieve criteria in dergelijke subsidies, zodat organisaties die met gelijkaardige zaken bezig zijn, ook gelijkaardig zouden behandeld worden.

Met een politiek foefje wordt de interpellatie onontvankelijk verklaard (zogezegd omdat je als raadslid een eigen voorstel van subsidiereglement kan voorstellen), wellicht in de hoop dat deze discussie dan niet moet gevoerd worden.

STAP 6: eigen voorstel voor subsidiereglement voor specifieke medische hulpverlening (september 2016)

Als ze denken dat ze mij daarmee tegenhouden, dan kennen ze mij nog niet goed. De volgende provincieraad dien ik een eigen voorstel in, niet over het thema stadslandbouw, maar wel over de specifieke medische hulpverlening (waar er ook een heel onlogische situatie is waarbij de MUG-helicopter 110.000 euro krijgt en de Vrijwillige Blankenbergse zeereddingsdienst nog geen 2500 euro). Nu moet men wel de discussie voeren, maar zoals verwacht wordt het voorstel weggestemd.

STAP 7: provincie voorziet 10.000 euro voor Velt in budget 2017

Ik hou mij verder in en lanceer geen nieuwe voorstellen om de discussie niet op de spits te drijven. Ik checkte uiteraard direct toen we de budgetvoorstellen kregen of er iets gewijzigd was hierover en merkte dat er een subsidie van 10.000 euro voorzien werd voor Velt. Dat is zelfs meer dan ik verwacht had. Een mogelijk criterium zou bvb. de verhouding van ledenaantal kunnen zijn, maar des te beter voor Velt is dit dus bijna hetzelfde bedrag als Tuinhier geworden.

Als provincieraadslid voor Groen ligt het werk van Velt mij natuurlijk nauwer aan het hart dan die van Tuinhier (ik ben ook lid). Maar het belangrijkste punt voor mij is niet: Velt moet subsidie krijgen, wel  verenigingen met een gelijkaardige werking moeten op een gelijkwaardige manier behandeld worden.

Ik heb niet het gevoel dat ik meer gedaan heb dan mijn taak als oppositieraadslid (wat door de directeur van Velt weliswaar tegengesproken wordt), maar ik bedank Velt om de gelegenheid om mijn verhaal te doen.