Blauwpoort Waregem: doen alsof er niets aan de hand is

De discussie over de afbakening van het kleinstedelijk gebied Waregem spitst zich vooral toe op het deelplan Blauwpoort, want over de rest is weinig discussie.

Gelukkig, collega’s. Gelukkig in dit dossier is er juist op tijd (op tijd om het dossier nog voor de verkiezingen rond te krijgen, zoals de stad Waregem zou willen en de provincie beloofd heeft) een nieuwe behoeftestudie voor industriezones klaar. Een behoeftestudie die na de passage van een 2e studiebureau ook het resultaat geeft dat de deputatie voor ogen had. Zo kunnen we rustig verder doen zoals we bezig waren en doen alsof er niet inderdaad dringend nood is aan een betonstop in Vlaanderen om de steeds voortschrijdende inname en verharding van de resterende open ruimte een halt toe te roepen. Wij hebben al eerder op verschillende fora onze bedenkingen geuit over de manier waarop de behoeftestudie tot stand is gekomen. En zie: we zijn niet alleen. Ik citeer uit het verslag van de procoro van 5 oktober 2017 uit het dossier ‘de voorzitter (van de procoro) is ontgoocheld over de wijze van de behoefte bedrijvigheid. De uitleg op p. 87 om de behoefte aan te tonen van Blauwpoort is ondermaats.’ De toelichting die gegeven wordt kan hem niet overtuigen.

We gaan, als we dit plan goedkeuren, zelfs doen alsof zuinig ruimtegebruik toch niet zo belangrijk is als we altijd zeggen. Want de adviezen om, als je dan toch die ruimte aansnijdt, meteen hoger bouwen toe te laten dan de 20 meter die in het eerste ontwerp voorzien was, worden toch niet echt gevolgd. En opnieuw: wij zeggen dat niet alleen. Ik citeer uit het advies van het Agentschap Innoveren & Ondernemen naar aanleiding van de 1e plenaire vergadering: ‘Een maximum bouwhoogte van 20m voor regionale bedrijven, op een grootschalig bedrijventerrein, langs de autosnelweg en met beperkt wonen in de buurt is op deze korte periode (en dan vergelijken ze met het dossier 2012) volledig achterhaald. Zowel in de bouwpraktijk van bedrijven als in het ruimtelijk beleid gericht op zuinig ruimtegebruik en ruimtelijk rendement.’ Waarschijnlijk zal straks geantwoord worden dat de maximum bouwhoogte vastgelegd is op 20m op het hoogste punt, zodat dit hoger kan als het terrein afdaalt. Maar dat is nu niet direct wat onder andere dit Agentschap voor ogen heeft.

En de deputatie vindt het blijkbaar ook niet erg om eenzijdig aandacht te hebben voor de harde bestemmingen. Want bij een afbakening van een stedelijk gebied hoort inderdaad ruimte voor wonen, bedrijvigheid en andere stedelijke functies. Maar daar hoort ook groen- en natuurgebied bij, zachte bestemmingen die belangrijk zijn als ademruimte voor de inwoners van die stedelijke gebieden. Maar het stadsrandbos dat wel in de theorie over dit stedelijk gebied aan bod komt, is in dit RUP niet terug te vinden. En voor ons hoeft het zelfs geen bos te zijn, want in de Leievallei is het veel logischer en ecologisch waardevoller om te zorgen voor natte natuur, eerder dan bos. Maar een groene bestemming wordt hier nergens voorzien. Opnieuw een citaat, deze keer van het departement omgeving: ‘Ten slotte betreurt het departement dat nog steeds geen initiatief of herbestemming is opgenomen ter realisatie van het stadsrandbos. Indien de provincie hier geen deelRUP voor opmaakt, dient ten minste duidelijk te zijn wie deze taak verder zal opnemen. Zoniet blijft dit onderdeel van de visie op de stedelijke afbakening wellicht dode letter.’

En nogmaals gelukkig, collega’s. Gelukkig is AWV ook bezig met plannen op te maken om de op- en afrit van de E17, en konden wij kennis maken met het voor Vlaanderen nieuwe concept van een Diverging Diamond Interchange. Zo kunnen we rustig doen alsof er niet vandaag al een probleem is met de mobiliteit en de luchtkwaliteit op deze locatie, alsof het niet problematisch is om nog bijkomend verkeer aan te trekken. Deze maand werden nieuwe modelkaarten luchtkwaliteit gelanceerd. Dit leidde tot krantenkoppen als ‘Luchtvervuiling in Vlaanderen erger dan gedacht’ en conclusies als ‘Tot in de kleinere Vlaamse gemeenten worden de Europese normen voor stikstofdioxide overschreden’. Inderdaad, vooral voor stikstofdioxide en dieselroet is het verschil tussen het oude en het nieuwe model groot, maar ook de nieuwe kaarten voor fijn stof zijn veelzeggend. Ik nodig u uit om die kaarten eens te bekijken voor wat betreft de omgeving van Waregem en dan nog eens de logica te beoordelen om hier nog bijkomend verkeer aan te trekken. Maar die nieuwe kaarten zijn natuurlijk te recent om al in het MER-rapport opgenomen te zijn. De files kunnen we natuurlijk met technische ingrepen tijdelijk milderen (tijdelijk omdat aangetoond is dat bijkomende capaciteit ook bijkomend verkeer aantrekt), maar de daarmee gepaard gaande luchtverontreiniging verdwijnt natuurlijk niet.

Kortom, net als de Procoro (opnieuw: we zijn niet alleen) kunnen wij ons niet in het onderdeel Blauwpoort van de afbakening van het kleinstedelijk gebied Waregem vinden. En wij vragen ons eigenlijk af, meneer De Block, waar bij in het dossier de argumenten terugvinden waarmee de deputatie het negatieve advies van de Procoro beantwoordt. Want u bent dat misschien niet gewend om te  moeten doen, maar in het overwegend gedeelte van de ontwerpbeslissing noch in andere stukken in het dossier vinden wij daar eigenlijk nergens een verwijzing naar terug. Terwijl je vanuit de motiveringsplicht voor overheidsbeslissingen toch eigenlijk zou mogen verwachten dat dit aan bod komt. 

Groen stemt dan ook tegen dit dossier.

Advertenties

motie voor MUG-helikopter

Beste collega’s,

 

Tijdens de budgetbesprekingen in november hebben we de tijd genomen om veel onderwerpen de revue te laten passeren. Eén van de belangrijke thema’s was de MUG-helikopter, gestationeerd in het AZ Sint-Jan in Brugge, en het was niet voor het eerst dat hierover een debat gevoerd werd.

Het provinciebestuur voorziet een bijdrage van 110.000 euro om de MUG-helikopter in de lucht te houden en de organisatie ervan op de grond te ondersteunen. Ik denk niet dat er iemand in dit halfrond betwist dat deze middelen nuttig besteed worden. Dat is een substantieel bedrag, maar lang niet voldoende om de werking van de MUG-helikopter te garanderen. Wie de jaarverslagen er op nakijkt, ziet bevestigd dat de werkingskosten in de loop van de jaren stijgend zijn en het verzamelen van de nodige middelen een steeds moeilijker opdracht wordt.

Naast de provincie doen ook heel wat steden en gemeenten een inspanning. Maar dat moet aangevuld worden met private sponsoring, giften allerhande en zelfs verkoop van gadgets. Er werden hier in dit halfrond dan ook pleidooien gehouden om individuele giften te doen, (slechts) sinds vorig jaar fiscaal aftrekbaar, of er werden pannenkoeken gebakken en verkocht in het kader van acties als Music for Life. Er worden campagnes gedaan om gemeentes die nu nog geen bijdrage leveren, te overtuigen om dat wel te doen.

Toen dacht ik toch: vinden wij dat wel normaal? Vinden wij het normaal dat voor een dergelijke, belangrijke en levensreddende dienstverlening, er een vzw middelen moet samenschrapen, samenbedelen bijna, om die helikopter in de lucht te kunnen houden? Een hele papierwinkel om van gemeentes telkens maximum een paar duizend euro te ontvangen, afhankelijk zijn van de economische conjunctuur van de bedrijven die sponsoren, moeten hopen dat de Music for Live-acties elk jaar een succes zijn, enzovoort. Voortdurend onzeker zijn of de middelen voor het komende jaar wel toereikend zullen zijn.

Met Groen vinden wij dat niet normaal. Vandaar dat ik een poging gedaan heb om met deze motie naar de kern van het debat te gaan. Het is niet de verantwoordelijkheid of bevoegdheid van de provincie, van steden en gemeentes, van bedrijven of particulieren om een goede medische dienstverlening te verzekeren. Wij vertegenwoordigen hier de inwoners van deze provincie, laat ons dit politiek orgaan gebruiken om de bal in het kamp te leggen van wie wel de bevoegdheid heeft over de gezondheidszorg, en dat is de federale regering. Deze motie vraagt dan ook naar een basisfinanciering voor de bestaande MUG-helikopterdiensten door de federale overheid, dat lijkt ons niet meer dan logisch. Dankzij gedeputeerde Vereecke is de tekst aangevuld met onder andere een uitgebreide historiek van deze dienstverlening. Het zou een sterk signaal zijn mocht deze motie unaniem goedgekeurd worden.

 

Maarten Tavernier
januari 2018

Mijn boodschap aan Voka

Gisterenavond was ik te gast op de nieuwjaarsreceptie van Voka. Van elke politieke partij was iemand uitgenodigd om ‘de slimste politicus van regio Kortrijk-Roeselare-Tielt’ te spelen, een miniquiz gebaseerd op het format van De Slimste Mens maar dan over economische thema’s. Ik had het genoegen om Groen te mogen vertegenwoordigen.

Dat was in een puik gezelschap van 3 burgemeesters waarvan er 2 ook parlementslid zijn (Kris Declercq Roeselare-CD&V, Bert Maertens Izegem-NVA, Francesco Vanderjeugd Staden-Open VLD) en voor Sp.a Simon Bekaert, 1e schepen in Tielt, collega in de provincieraad en voormalig kabinetsmedewerker. Ik was dus de enige voor wie politiek geen voltijdse bezigheid (geweest) is.

Best spannend, en één van mijn medespelers bevestigde dat ik niet de enige was met wat stress toen hij zei dat hij veel liever zou speechen of een politiek debat houden dan vragen te krijgen waarvan je niet weet in welke richting ze gaan. Niemand wil natuurlijk niet afgaan voor een volle zaal met 1200 ondernemers. Jordy Sabels, voorzitter van Jong Groen Ieper, was op hetzelfde evenement enkele dagen geleden in de Westhoek 2e geworden en kwam er met zijn pitch (= korte presentatie of speech) over duurzame innovatie blijkbaar als de beste spreker uit. De lat lag dus hoog…

Mijn vrees was onterecht: in de 3-6-9-ronde raakte ik op kop, en ook bij de ‘open deur’-vraag kon ik 3 van de 4 trefwoorden vinden bij de term ‘Eurometropool’ en behield zo mijn voorsprong. In de 3e  en laatste ronde mocht ik dan ook als eerste een thema kiezen waar ik het aantal verdiende seconden mocht ‘pitchen’ (= korte presentatie of speech). De keuzethema’s waren menselijk kapitaal, ruimte om te ondernemen, aantrekkelijke omgeving, duurzame innovatie en mobiliteit. Ik koos voor Aantrekkelijke omgeving en bracht een boodschap die op het eerste gezicht niet zo evident was:

“Ik koos voor aantrekkelijke omgeving omdat dat natuurlijk een van de kernthema’s van Groen is. En het is terecht dat Voka niet alleen aandacht heeft voor een aangename werk- maar ook voor een aangename woonomgeving en daarvoor is groen en natuur belangrijk. Dat wordt in het Roelare van collega Declercq, waar we vandaag zijn, vorm gegeven door een groene schepen. Het verschil met 6 jaar geleden is duidelijk zichtbaar. Voka ijvert misschien logischerwijs in de eerste plaats voor ruimte voor ondernemen. Maar voor dit thema is ook ruimte voor groen en natuur nodig. En er is een groot onevenwicht tussen beide. Als een terrein als industrie-of woongebied bestempeld wordt, dan duurt het niet lang of er worden straten aangelegd en de eerste bedrijven of huizen verschijnen. Maar als een terrein een zachte bestemming zoals natuur krijgt (dat is om te beginnen al veel moeilijker), dan is de kans groot dat er binnen 20 jaar nog gepalaverd wordt over de invulling, dat de effecten op landbouw onderzocht worden, maar er nog niets gerealiseerd is op het terrein. Ik wil van mijn aanwezigheid hier gebruik maken om jullie uit te nodigen om ook daarvoor te ijveren. Met meer natuur, meer realisatie van zachte bestemmingen op het terrein, zal het ook gemakkelijker zijn om ruimte te maken voor ondernemen.”

De tijd was tekort (met 95 seconden mocht ik langst spreken, maar dat is toch kort als je je boodschap wat wilt onderbouwen) om nog te vermelden dat een beter evenwicht tussen ruimte voor natuur en voor ondernemen wellicht kan zorgen voor minder juridische procedures bij harde bestemmingen. Of om het concrete voorbeeld van het Kortrijkse stadsrandbos te geven: 20 jaar geleden gestart om 250ha te realiseren, vandaag nog maar voor 1/3 gerealiseerd en aan het huidige tempo zal het nog 166 jaar duren. Kunnen we ons dat voorstellen bij een industriezone? Maar de boodschap duidelijk.

Quizmaster Dirk Denoyelle reageerde terecht dat ik mijn nek uitgestoken had en ook achteraf noemde hij me een politicus met lef. Men zal inderdaad niet kunnen zeggen dat ik het publiek naar de mond praatte. Maar ik hoop en denk dat zo’n boodschap misschien wel eens doet nadenken en langer bijblijft dan een voorspelbaar promopraatje. Ik kreeg in elk geval nadien op de receptie en op sociale media een aantal heel leuke reacties.

Volgende week is het aan Wouter in Oostende, Herman in Veurne en Andries in Brugge. Good luck!

Communicatiebeleid van de POM

De POM (Provinciale OntwikkelingsMaatschappij, het provinciaal agentschap dat het economisch beleid uitvoert) heeft naar mij geluisterd. Daarom kan ik hierover geen persbericht schrijven, maar wordt het een blogstukje. Ik had nochtans al een mooie titel in gedachten ‘POM verspilt xx euro (het bedrag stond nog niet vast) aan eigen bekendheid’. Maar het is natuurlijk beter om te kunnen schrijven dat je invloed gehad hebt op het beleid dan te moeten aanklagen in de pers wat verkeerd loopt.

Wat is er aan de hand? Al meer dan een jaar werkt de POM aan doelstellingen (of KPI’s – kritische prestatie-indicatoren – in het kader van hun exponentiële werking, geïnspireerd op de Exponential Academy van de Singularity University in de USA. Maar voor de rest zal ik jullie de hippe managementtaal besparen). Een aantal van die doelstellingen slaan op de eigen bekendheid: de POM wilde oorspronkelijk dat tegen 2020 zowel 30% van de West-Vlaamse ondernemers als van het ruime publiek wist wat de POM was en deed.  Dat was het eerste absurde idee: hetzelfde bereik nastreven bij ondernemers als bij het ruim publiek voor een organisatie die rond economie werkt. Ik pleitte meteen (en kreeg navolging bij NVA) om dé West-Vlaming niet als doelgroep te nemen, maar enkel ondernemers en ondernemingen.

Het provinciebestuur heeft veel ervaring met het promoten van zichzelf. Zo is in het budget 2018 maar liefst 1,3 miljoen euro voorzien voor ‘publiciteit, promotie en voorlichting’, met onder andere een groot bedrag voor aankopen promotionele ruimte, dit wil zeggen advertentieruimte of andere zichtbaarheid aankopen bij grote evenementen puur om zichzelf in de picture te zetten. Daarnaast is dat natuurlijk een methode om bevriende organisaties nog wat subsidies toe te stoppen maar het zo niet te noemen, nu de provincies oa rond sport en cultuur geen bevoegdheden meer zal hebben. Niet toevallig is het bedrag dat hieraan besteedt wordt, de laatste jaren sterk gestegen. Voor Groen is dit de verkeerde prioriteit: een overheid moet geen reclame maken voor zichzelf, maar met inhoud zijn relevantie aantonen. En ondanks het vele geld en middelen dat hierin gestoken wordt, lukt het zelfs voor de provincie niet om goed door te dringen bij de bevolking en de beleidsmakers op andere niveau’s over wat de provincie precies doet.

Dus voor de POM zou dat al helemaal een onmogelijke opdracht worden. Bij de laatste fase, de doelstellingen koppelen aan de budgetten, bleek dat ook. Uit een bevraging bleek dat zelfs bij ondernemers, wat de belangrijkste doelgroep zou moeten zijn van de POM, de bekendheid maar 13% bedraagt. De keuze werd dan ook heel terecht gemaakt om hierop in te zetten voor communicatie en naambekendheid, en niet op het algemene publiek. Maar het zal van de deputé wellicht met tegenzin geweest zijn dat deze doelstelling geschrapt werd, want daarvoor verdedigde hij stevig deze keuze.

Daarna is het tijd voor een tweede punt: de POM is sterk in het uitvinden van allerhande ‘producten’ die dan een afzonderlijke ‘hippe’ naam krijgen. West-deal is het strategisch plan voor economische ontwikkeling van West-Vlaanderen; NV ’t Werkpand biedt de huisvestingsfaciliteiten aan voor (startende) ondernemers, er zijn de Fabrieken voor de Toekomst, TUA West of in het lang de Technische Universitaire Alliantie,… en dan zijn er nog de namen van de vele Europese programma’s. Raak je er nog aan uit? Troost je, ik moet soms ook opzoeken welk project of product nu weer waarover gaat. Als je er niet dagdagelijks mee bezig bent, denk ik dat dit heel complex overkomt. Als de POM naambekendheid moet krijgen, zou het beter zijn om deze naam ook te gebruiken voor al deze producten. Deze commentaar op het communicatiebeleid van de POM werd meteen bevestigd: ‘Meneer Tavernier, u heeft een punt’.

Het is een klein voorbeeld van hoe constructieve, kritische oppositie wel degelijk een impact kan hebben. Zo kan ik alvast zeggen dat ik minstens 125.000 euro heb laten besparen of beschikbaar heb gemaakt voor nuttige doeleinden, want dat is het budget dat uitgetrokken wordt voor het communicatiebeleid naar de doelgroep van ondernemers. Voor een ruim publiek zal het wel niet minder geweest zijn. Mijn persoonlijke bijdrage aan de West-Vlaamse economie.

Geen plaats voor 100 bomen, wel uitbreiding voor bestaande en 70 ha nieuwe industrie

Tussenkomst op de provincieraad van 28 november 2017 over het planologisch attest voor de uitbreiding van de firma Galloo:

Vorige week stond er in de Krant van West-Vlaanderen een triest artikel over Menen: ‘Nergens plaats voor geboortebos’.

Ik vond dat zeer vreemd. De gezinsbond wil graag met de jonge gezinnen bomen planten voor de pasgeboren kinderen, maar dat lukt al enkele jaren op rij niet. Nochtans, blijkbaar is er nog veel ruimte in Menen. Als het is om bijkomende industrie te zoeken, dan wordt er blijkbaar wel plaats gevonden.

Vandaag staat op de agenda een planologisch attest voor een (zoveelste) uitbreiding van het bedrijf Galloo, maar de zoektocht naar een nieuw bedrijventerrein van 70 hectare hangt ook nog boven het hoofd van de inwoners van Menen, Wervik en Wevelgem.

En eigenlijk is dat helemaal niet logisch. Menen is een van de steden in Vlaanderen die de bedenkelijke eer gehad hebben om onderwerp te zijn van een biomonitoringsonderzoek. Van een 200-tal jongeren werd bloed, haar en urine onderzocht op zoek naar vervuilende stoffen en hun impact op de gezondheid. Ik zal jullie de technische details besparen, maar de conclusie van de studie was dat er wel degelijk een negatieve impact was op de gezondheid van de onderzochte jongeren. Het ging onder andere over PAK’s (polyaromatische koolwaterstoffen), verbindingen die algemeen vrijkomen bij verbrandingsprocessen, dus onder andere verwarming en transport. Een bedrijventerrein die geen bijdrage levert aan de uitstoot van deze stoffen bestaat dus niet.

Door het bedrijf Galloo, waar het hier nu over gaat, is er in Menen al vele jaren een voedingsadvies van kracht. En dat stelt dat het voor een groot deel van de stad afgeraden wordt om eieren of groenten van uit de eigen tuin te eten, omwille van de emissies van PCB’s en dioxines. Deze stoffen en hun slechte reputatie kennen jullie, onder andere van de verbrandingsovens. Het is pas na heel wat onderzoek dat er door de case Menen een duidelijk verband gelegd werd tussen de schrootverwerkende industrie en aanwezigheid van dioxines en PCB’s, een link die voorheen niet duidelijk was.

Kortom, het is dus wetenschappelijk bewezen dat de industrie die er vandaag in Menen is, een negatief effect heeft op de gezondheid van de mensen die errond wonen. En wat is het antwoord van het beleid, onder andere van de provincie? juist het tegenovergestelde van wat logisch zou zijn.

In plaats van het bedrijf Galloo in te perken en de milieu-impact te verminderen (en toegegeven, daar zijn ook wat inspanningen voor gedaan, weliswaar onder druk), mogen de activiteiten nog toenemen. Dat er activiteiten in een overdekte loods zouden plaatsvinden, is op zich positief, maar als dit op bijkomende terreinen gebeurt en niet in plaats van de huidige bedrijfsruimte in open lucht, dan zal de milieu-impact niet verminderen.

En in het algemeen over de industrie in Menen: in plaats van de impact op milieu en gezondheid van de aanwezige bedrijven te proberen verminderen, gaat de provincie lustig op zoek naar tientallen hectares om bijkomende industrie te realiseren.

Maar ruimte voor 100 bomen te planten, dat is niet te vinden. Het zal dan ook niet verbazen dat wij niet achter deze uitbreiding kunnen staan en tegen zullen stemmen.

Op bezoek bij het slachthuis van Tielt

Het is al veel te lang geleden dat ik nog eens geblogd heb. Maar een bezoek aan het slachthuis van Tielt, dat in het voorjaar volop in de media kwam na beelden over verregaande dierenmishandeling , is een goede aanleiding om hier nog eens werk van te maken.

Je herinnert je wellicht de beelden: varkens die aan hun oren voortgetrokken werden, al mankend voortgeslagen worden, of onvoldoende verdoofd werden en krijsend gekeeld. Niet voor gevoelige kijkers…

Na enkele weken verplichte sluiting, ging na het goedkeuren van een actieplan het slachthuis weer open. Een deel van de klanten, zoals de grote warenhuizen, zetten de samenwerking met het Tieltse slachthuis stop. Terecht, en een goede zaak, want het toont dat dierenwelzijn niet alleen uit respect voor het dier moet gebeuren, maar ook een economische noodzaak is. De vraag is natuurlijk of de andere slachthuizen waar het vlees uit in de frigo’s van de warenhuizen nu vandaan komt het beter doen. De recente beelden uit het slachthuis van Izegem, deze keer bij runderen, doen vermoeden dat Tielt geen alleenstaand geval is, spijtig genoeg.

Het slachthuis doet er nu alles aan om zijn imago weer op te krikken. Daar hoorde ook een ‘opendeurmaand’ bij. In kleine groepen van 10 personen kregen geïnteresseerden de kans om (een deel van) het slachthuis te bezoeken. Ik was er snel genoeg bij om nog een plaatsje te bemachtigen. Een wereld die ik helemaal niet ken en vrij confronterend is. Het bezoek zelf bestond uit 2/3 theorie en 1/3 rondleiding in het slachtproces. Uiteraard werd alles in het werk gesteld om een goede indruk te maken en alles wat helpt bij het welzijn van het dier, uitgebreid toe te lichten. Van een buurtbewoner vernam ik dat het deze maand opvallend rustig was in het slachthuis, wat doet vermoeden dat de capaciteit bewust beperkt gehouden werd.

Maar inderdaad, de dieren waren eigenlijk opvallend rustig en lieten zich gemakkelijk naar de ‘slachtbank’ leiden. Geen mankementen te bespeuren bij de verdoving en uiteraard uitgebreide controle tijdens het bezoek. Het zou ook verwonderen dat er op zo’n moment een risico gelopen wordt dat er iets misloopt. Dus de vraag of deze situatie representatief is voor een normale bedrijfsvoering, blijft voor mij toch wel een stuk open. Het slachthuis gaat er prat op dat er sinds 2014 heel sterk ingezet wordt op dierenwelzijn. ‘Hoe was het dan voor 2014, als er nu nog zo’n beelden opduiken?’, is de vraag die bij mij dan spontaan opkomt. Een opvallende uitspraak vond ik zelf het gegeven dat men de vloer en wanden van de compartimenten waar de dieren uitrusten voordat ze verder gedreven worden naar de verdoving, zo egaal mogelijk gehouden wordt van kleur: dat werd ‘gelijkend op hun natuurlijke habitat’ genoemd. Met die term bedoelt men dan dat het lijkt op het varkenshok waar die dieren van geboorte tot dood hun leven doorbrengen. Dat vergelijken met natuur lijkt mij even absurd als reclame maken voor een benefietontbijt voor dierenwelzijn via een affiche met worst, spek en eieren… En het illustreert dat het niet zonder reden is dat Groen altijd de nadruk legt op het benaderen van dierenwelzijn over het hele leven van het dier, en niet alleen te kijken naar de laatste uren of minuten.

Achteraf stelde ik aan de woordvoerder van het bedrijf de voor mij cruciale vraag in dit dossier: ‘Als je dag in dag zoveel varkens ziet passeren (momenteel 1,5 miljoen varkens/jaar) is het wel mogelijk om die dieren te zien als een levend wezen en niet als een product?’. Er werd natuurlijk geantwoord dat dit iets is waar men dagdagelijks aan werkt, maar voor Groen is dit de reden waarom wij tegenstander zijn van de geplande uitbreiding van het slachthuis. Het is onbegrijpelijk dat de provincie gewoon overgaat tot de orde van de dag alsof er niets gebeurd is.

Lees hier ons persbericht daarover: http://www.groenwestvlaanderen.be/standpunten/persmededelingenDetail.php?GrArt_ID=484#.WcrJsrpuKGg

Waarom ik een paarse zak wil

Mensen die niet direct thuis zijn in de milieubranche, zullen misschien zich heel andere beelden voor het oog halen, maar lees eerst de tekst hieronder voor ik het risico loop dat je mij in het kruis komt trappen.

Vorige week kwam in de media dat minister Schauvliege de inzameling van plastics wil veralgemenen. Dat is een goede zaak, omdat plastic inderdaad een hoogwaardig en perfect recycleerbaar materiaal is. De huidige klassieke PMD-inzameling beperkt zich met de inzameling van plastic flessen tot de grote en gemakkelijk recycleerbare stromen, goed genoeg om de minimale recyclageresultaten te kunnen behalen.

Er worden momenteel (met te lang studiewerk, naar mijn idee) in proefprojecten een aantal systemen uitgetest. Er zijn varianten op de ‘roze’ zak (wat staat voor een afzonderlijke inzameling van plastics in een aparte zak) en de ‘paarse’ zak (wat staat voor een PMD+-zak of dus een PMD-inzameling waar ook bijkomende plastics in dezelfde zak mogen gedeponeerd worden).

Maar de keuze is volgens mij niet moeilijk. Het grootste probleem met de huidige PMD-inzameling is nu de moeilijke sorteerboodschap. Daardoor blijven na een ophaalronde heel wat zakken staan, die dan achteraf dikwijls (wegens ‘van niemand’) door de stad of gemeente moeten opgehaald worden en zo bij het restafval terecht komen. Ook binnen de wel ingezamelde zakken komen nog veel fouten voor: afvalintercommunales moeten regelmatig campagnes doen om het percentage aan zogenaamd ‘residu’ (wat niet uitgesorteerd kan worden) onder de 15% te houden. Dat probleem dreigen we te vergroten als er nog een nieuwe zak komt, met dus bijkomende sorteerregels en bijkomend risico op zakken die verkeerd gesorteerd in de straat blijven staan. Bovendien betekent een bijkomende zak ook een bijkomende ophaalronde, met huisvuilwagens die alle straten in een gemeente moeten aandoen en zo extra verkeer en extra vervuiling betekenen.

Het scenario met de paarse zak vangt die nadelen op: doordat de ‘P’ in PMD nu staat voor alle Plastics, en niet meer enkel voor Plastic flessen en flacons, worden de sorteerregels veel eenvoudiger en de kans op verkeerd sorteren veel kleiner.

Het is ook gemakkelijk combineerbaar met de noodzakelijke invoering van statiegeld op drankverpakkingen. Deze week was nog in het nieuws dat de hoeveelheid zwerfvuil in 2 jaar tijd nog met 40% gestegen terwijl er een daling zou moeten gerealiseerd worden van 20% tegen 2022. We kunnen het zwerfvuilprobleem enkel structureel indijken door het invoeren van statiegeld op drankverpakkingen en niet door de lapmaatregeltjes van ocharme 10 miljoen euro waar minister Schauvliege nu op rekent. Dat de PMD-inzameling dan niet meer zou haalbaar zijn is een van de tegenargumenten waar de industrie mee schermt. Maar als je tegelijkertijd een deel uit de PMD haalt (de drankverpakkingen) en een ander deel toevoegt (de yoghurtpotjes, botervlootjes, noem maar op…) dan hoeft het volume van de PMD-zak niet zoveel te krimpen (maar de restafvalzak des te meer).

De huidige verwerker slaagt er trouwens in om die verschillende soorten plastic machinaal van elkaar te scheiden, zodat dit ook geen belemmering is. De techniek staat ook op dat vlak niet stil.

Kortom, de paarse zak is duidelijk hét inzamelscenario van de toekomst. Waarop wachten we nog?